C-544/18 HM Revenue & Customs

C-544/18 HM Revenue & Customs

Prejudiciële hofzaak

Zie bijlage voor de verwijzingsuitspraak, en klik hier voor het dossier van het Hof van Justitie (voor zover beschikbaar).

Termijnen: Motivering departement:     8 oktober 2018
Schriftelijke opmerkingen:                     24 november 2018

Trefwoorden: vrijheid van vestiging; beëindiging economische activiteit; werkloosheidsuitkering

Onderwerp:

-           Artikel 49 VWEU


Feiten:

D heeft een verzoek om kinderbijslag ingediend in het Verenigd Koninkrijk. Dit wordt geweigerd omdat zij naar nationaal recht niet beschikte over een voldoende verblijfsrecht om aanspraak te kunnen maken op de kinderbijslag. D bezit de Litouwse nationaliteit. In december 2013 werd zij zwanger en besloot ze minder veeleisend werk te gaan doen, namelijk als zelfstandige schoonheidsspecialiste. Zij oefende derhalve haar recht van vestiging uit in de zin van artikel 49 VWEU. Naarmate de zwangerschap vorderde, nam haar aantal klanten af. Hoewel ze haar werkzaamheden niet volledig stopzette, meende zij dat zij met “moederschapsverlof” was vanaf 17.04.2014. Vanaf 11.05.2014 ontving zij een moederschapsuitkering. Ze beëindigt haar activiteit, nadat ze enkele maanden daarvoor was verhuisd en ze haar kind reeds heeft gekregen, net voordat ze op 10.02.2015 een werkloosheidsuitkering aanvroeg, omdat ze minder winst maakte dan vroeger en deze in ieder geval ontoereikend was. Op 1 april 2015 hervat ze haar oude werkzaamheden als magazijnier.


Overweging:

Het Upper Tribunal heeft geoordeeld dat de zelfstandige activiteit als schoonheidsspecialist vanaf 22 juli 2014 verwaarloosbaar en bijkomstig was. Deze activiteit was als zodanig nooit hervat op een wijze die niet verwaarloosbaar en bijkomstig was en om die reden was de periode van 23 juli tot 9 februari 2015 een periode waarin D niet (voldoende) economisch actief was (in om het even welke hoedanigheid). De geboorte van haar zoon viel in die periode. De verwijzende rechter verwijst dan naar eerder rechtspraak van het Hof (arrest Saint-Prix), waarin volgens de rechter de Britse besluitvormende instantie (HM Revenu & Customs) erkent dat D elke reële en daadwerkelijke economische activiteit staakte wegens de fysieke ongemakken in een gevorderd stadium van de zwangerschap en in de periode onmiddellijk na de bevalling, en dat haar hervatting van een economische activiteit, eerst als werkzoekende en vervolgens als werknemer, plaatsvond binnen een redelijke termijn na de geboorte van haar kind. De verwijzende rechter moet dus beslissen of beginselen die overeenkomen met die uit het arrest Saint-Prix ook van toepassing zijn ingeval van een persoon die, voor de beëindiging van een economische activiteit, zijn recht van vrijheid van vestiging op grond van artikel 49 VWEU uitoefende, en niet zijn recht van vrij verkeer als werknemer op grond van artikel 45 VWEU, zoals het geval was in de zaak Saint-Prix.


Prejudiciële vragen:

Wanneer een Unieburger die onderdaan is van een lidstaat i) verblijft in een andere lidstaat (de ontvangende lidstaat); ii) werkzaam is geweest als zelfstandige in de zin van artikel 49 VWEU in de ontvangende lidstaat; iii) een moederschapsvergoeding ontving vanaf mei 2014 (moment waarop zij zichzelf wegens haar zwangerschap minder in staat achtte om te werken); iv) wordt geacht haar reële en daadwerkelijke [Or. 6] zelfstandige activiteit te hebben gestaakt vanaf juli 2014; v) beviel in augustus 2014, en vi) geen reële en daadwerkelijke zelfstandige activiteit heeft hervat in de periode na de bevalling en voordat zij in februari 2015 verzocht om een werkloosheidsuitkering, dient artikel 49 VWEU dan aldus te worden uitgelegd dat een dergelijke persoon die een zelfstandige activiteit beëindigt in omstandigheden waarin sprake is van fysieke ongemakken in een gevorderd stadium van de zwangerschap en in de periode onmiddellijk na de bevalling, de status van zelfstandige in de zin van dat artikel behoudt, mits zij binnen een redelijke termijn na de geboorte opnieuw economisch actief wordt of werk zoekt?


Aangehaalde (recente) jurisprudentie: C-507/12 Saint-Prix, C-147/11 en C-148/11 Czop en Punakova.

Specifiek beleidsterrein: SZW