C-546/18

C-546/18

Prejudiciële hofzaak

Zie bijlage voor de verwijzingsuitspraak, en klik hier voor het dossier van het Hof van Justitie (voor zover beschikbaar).

Termijnen: Motivering departement:    27 november 2018
Schriftelijke opmerkingen:                    13 januari 2019

Trefwoorden: openbaar overnamebod; bindend; strafprocedure

Onderwerp:

-           Richtlijn 2004/25/EG van het Europees Parlement en de Raad van 21 april 2004 betreffende het openbaar overnamebod;


Feiten:

Het Bundesverwaltungsgericht moet in het hoofdgeding op beroepen beslissen die zijn ingesteld tegen bestuurlijke strafbeschikkingen van de Oostenrijkse overnamecommissie. De overnamecommissie is de toezichthoudende autoriteit als bedoeld in artikel 4 van richtlijn 2004/25. Richtlijn 2004/25 werd in Oostenrijk omgezet door de federale wet betreffende het openbaar overnamebod (hierna: ÜbG). Bij haar bestuurlijke strafbeschikkingen van 29.01.2018 veroordeelde de overnamecommissie GM, HL en FN wegens inbreuken op de wet betreffende het openbaar overnamebod, aangezien zij (dan wel de door hen vertegenwoordigde vennootschappen) in het kader van op 29.09.2015 gemaakte afspraken, waarbij GM, Adler Real Estate AG (hierna: AR AG), MountainPeak Trading Limited (hierna: MPT Limited), Westgrund AG (hierna: W AG) en Petrus Advisers LLP (hierna: PA LLP) betrokken waren, een groep in onderling overleg handelende rechtssubjecten in de zin van §22a ÜbG hebben gevormd en de overnamecommissie in strijd met §22a jo §22(1) ÜbG niet binnen de wettelijke termijn van 20 beursdagen in kennis hebben gesteld van een overnamebod. De overnamecommissie legde GM, HL en FN geldboetes op en stelde de door HL en FN vertegenwoordigde vennootschappen hiervoor aansprakelijk. Tegen deze beschikking van de overnamecommissie werden beroepen ingesteld, die door het Oberste Gerichtshof zijn afgewezen. Hierop werden beroepen ingesteld bij de verwijzende rechter.


Overweging:

De verwijzende rechter twijfelt of het doeltreffendheidsbeginsel in de weg staat aan een nationale praktijk volgens welke een definitieve beslissing van een toezichthoudende autoriteit, in een daarop volgende strafprocedure tot oplegging van een sanctie (artikel 17 van richtlijn 2004/25) niet als bindend mag worden beschouwd, ondanks de gelijkblijvende feitelijke en juridische omstandigheden en de omstandigheid dat er sprake is van identiteit van partijen (in elk geval in de zaak GM). Vervolgens moet worden nagegaan of het doeltreffendheidsbeginsel vereist dat zelfs van een “uitgebreide” bindende kracht wordt uitgegaan wanneer deze aan een persoon wordt tegengeworpen die ten tijde van de voorafgaande procedure als bestuurder van een rechtspersoon fungeerde die partij was bij de afgeronde procedure en de geadresseerde was van de tot besluit van die procedure vastgestelde beschikking.


Prejudiciële vragen:

1. Staan de artikelen 4 en 17 van richtlijn 2004/25/EG van het Europees Parlement en de Raad van 21 april 2004 betreffende het openbaar overnamebod – gelezen in het licht van het Unierechtelijke doeltreffendheidsbeginsel – in de weg aan een uitlegging volgens welke aan een definitief besluit van de

toezichthoudende autoriteit als bedoeld in artikel 4 van richtlijn 2004/25/EG waarbij is vastgesteld dat een persoon inbreuk heeft gemaakt op nationale bepalingen tot omzetting van richtlijn 2004/25/EG, in een vervolgens door deze toezichthoudende autoriteit aangespannen administratieve strafprocedure  tegen die persoon geen bindende kracht wordt toegekend, zodat aan die persoon opnieuw alle feitelijke en juridische verweer- en bewijsmiddelen ter beschikking staan om de in het reeds definitief geworden besluit vastgestelde inbreuk te betwisten?

2. Staan de artikelen 4 en 17 van richtlijn 2004/25/EG van het Europees Parlement en de Raad van 21 april 2004 betreffende het openbaar overnamebod – gelezen in het licht van het Unierechtelijke doeltreffendheidsbeginsel – in de weg aan een uitlegging volgens welke aan een definitief besluit van de toezichthoudende autoriteit als bedoeld in artikel 4 van richtlijn 2004/25/EG waarbij is vastgesteld dat een rechtspersoon inbreuk heeft gemaakt op nationale bepalingen tot omzetting van richtlijn 2004/25/EG, in een vervolgens door deze toezichthoudende autoriteit aangespannen administratieve strafprocedure  tegen het vertegenwoordigingsbevoegde orgaan van die rechtspersoon geen bindende kracht wordt toegekend, zodat aan die persoon (het orgaan) alle feitelijke en juridische verweer- en bewijsmiddelen ter beschikking staan om de in het reeds definitief geworden besluit vastgestelde inbreuk te betwisten?

3. (Indien vraag II.1 ontkennend wordt beantwoord:) Staat artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie in de weg aan een nationale praktijk volgens welke een definitief besluit van de toezichthoudende autoriteit als bedoeld in artikel 4 van richtlijn 2004/25/EG waarbij is vastgesteld dat een persoon inbreuk heeft gemaakt op nationale bepalingen tot omzetting van richtlijn 2004/25/EG, in een vervolgens door deze toezichthoudende autoriteit aangespannen administratieve strafprocedure tegen die persoon bindende kracht heeft, zodat die persoon wordt belet de reeds onherroepelijk vastgestelde inbreuk feitelijk en rechtens te betwisten?

4. (Indien vraag II.2 ontkennend wordt beantwoord:) Staat artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie in de weg aan een nationale praktijk volgens welke een definitief besluit van de toezichthoudende autoriteit als bedoeld in artikel 4 van richtlijn 2004/25/EG waarbij is vastgesteld dat een rechtspersoon inbreuk heeft gemaakt op nationale bepalingen tot omzetting van richtlijn 2004/25/EG, in een vervolgens door deze toezichthoudende autoriteit aangespannen administratieve strafprocedure tegen het vertegenwoordigingsbevoegde orgaan van die persoon bindende kracht heeft, zodat die persoon (het orgaan) wordt belet de reeds onherroepelijk vastgestelde inbreuk feitelijk en rechtens te betwisten?


Aangehaalde (recente) jurisprudentie: Kapferer C-234/04; Kühne & Heitz C-453/00; Impresa Pizzarotti C-213/13; Apple and Pear Australia C-226/15 P; Äkerberg Fransson C-617/10;

Specifiek beleidsterrein: JenV