C-548/18 BGL BNP Paribas

C-548/18 BGL BNP Paribas

Prejudiciële hofzaak

Zie bijlage voor de verwijzingsuitspraak, en klik hier voor het dossier van het Hof van Justitie (voor zover beschikbaar).

Termijnen: Motivering departement:     15 oktober 2018

Schriftelijke opmerkingen:                     1 december 2018

Trefwoorden: insolventie; derdenwerking cessie

Onderwerp:

-           Verordening (EG) nr. 593/2008 van het Europees Parlement en de Raad van 17 juni 2008 inzake het recht dat van toepassing is op verbintenissen uit overeenkomst (Rome I) [hierna: „Rome I-verordening”];

-           Verordening (EG) nr. 864/2007 van het Europees Parlement en de Raad van 11 juli 2007 betreffende het recht dat van toepassing is op niet-contractuele verbintenissen (Rome II).


Feiten:

De in Duitsland gevestigde verzoekende bank en de in Luxemburg gevestigde verwerende bank eisen over en weer de terbeschikkingstelling van een in Duitsland in bewaring gegeven geldbedrag. De insolventieschuldenaar, een Luxemburgs staatsburger met woonplaats in Duitsland, heeft in het kader van de met verzoekster gesloten leningsovereenkomst naar Duits recht, het op dat ogenblik pandbare deel van haar huidige en toekomstige loon- en salarisvorderingen, jegens haar werkgever in Luxemburg, gecedeerd aan verzoekster. Vervolgens heeft de insolventieschuldenaar een bijkomende leningsovereenkomst met verweerster gesloten. In 2014 is jegens de insolventieschuldenaar de insolventieprocedure geopend. De aangewezen Duitse curator heeft bij de werkgever van de insolventieschuldenaar in Luxemburg de pandbare salarisbestanddelen tot en met het einde van de cessieperiode in beslag genomen en dat bedrag in bewaring gegeven. De partijen hebben beide verzocht de andere partij te veroordelen tot terbeschikkingstelling van het in bewaring gegeven bedrag.


Overweging:

De uitkomst van de terbeschikkingstelling is afhankelijk van de toepasselijkheid en de uitlegging van artikel 14 van de Rome I-verordening. Overeenkomstig artikel 14, lid 1, van de Rome I-verordening worden de betrekkingen tussen cedent en cessionaris uit hoofde van een contractuele subrogatie van een vordering op een andere persoon („de schuldenaar”) beheerst door het recht dat ingevolge deze verordening op de tussen hen bestaande overeenkomst van toepassing is. Krachtens artikel 6, lid 2, eerste zin, van de Rome I-verordening is dat op grond van de in de leningsovereenkomst met de insolventieschuldenaar opgenomen rechtskeuze het Duitse recht. Uit lid 1 van dat artikel volgt niets anders, aangezien op grond van de gewone verblijfplaats van de insolventieschuldenaar in Duitsland, eveneens het Duitse recht van toepassing is. Hoewel de cessie aan verzoekster op het nationale grondgebied rechtsgeldig is uitgevoerd en volgens het insolventierecht niet ongeldig is geworden, staat daarmee nog niet vast volgens welk recht de derdenwerking van de cessie bij een meervoudige cessie moet worden beoordeeld. Aangezien de overeenkomst tussen verweerster en de insolventieschuldenaar overeenkomstig artikel 3, lid 1, van de Rome I-verordening wordt beheerst door het Luxemburgse recht, zoals door partijen in punt 11 van de algemene voorwaarden gekozen, moet dat recht overeenkomstig artikel 14, lid 1, van de Rome I-verordening eveneens worden toegepast op de in dat kader verrichte cessie van de vordering. De vraag inzake de aanknoping van de werking van de cessie jegens derden in geval van meervoudige cessie (en in casu: insolventie van de cedent) geeft de verwijzende rechter in het onderhavige geval aanleiding tot een prejudiciële verwijzing naar het Hof. Volgens de verwijzende rechter zijn er verschillende opvattingen over de derdenwerking van cessie. In het geval dat artikel 14 van de Rome I-verordening van toepassing is op de derdenwerking van cessie is de verwijzende rechter van mening, dat moeten worden opgehelderd volgens welk recht de derdenwerking dan dient te worden beoordeeld. Volgens Duitse literatuur moet de oplossing hiervoor uit de verordening worden afgeleid en kan er gekozen worden tussen het overeengekomen toepasselijke cessierecht en het op de gecedeerde vordering toepasselijke recht. In het geval dat artikel 14 van de Rome I-verordening niet zonder meer van toepassing is, dient volgens de verwijzende rechter duidelijk te worden gemaakt of dit artikel naar analogie van toepassing is. De verwijzende rechter noemt de opvatting dat er een leemte is in de regeling, die gedicht moet worden door de ontwikkeling van een uniforme collisieregel. In het geval dat artikel 14 naar analogie van toepassing is, moet worden opgehelderd door welk recht de derdenwerking dan wordt beheerst. Hiervoor noemt de verwijzende rechter vier oplossingen:

1) voorrangsvragen worden beantwoord onder verwijzing naar de datum van de laatste cessie of een andere gebeurtenis die een concurrerend recht doet ontstaan;

2) aanknoping wordt gezocht bij het recht van de plaats van vestiging van de schuldenaar;

3) aanknoping wordt gezocht bij de plaats van vestiging van de cedent;

4) aanknoping wordt gezocht bij het toepasselijke cessierecht krachtens artikel 14, lid 1 van de Rome I-verordening.

Voor alle opties noemt de verwijzende rechter zowel voor- als nadelen. De verwijzende rechter laat het aan het Hof om hierover te oordelen.


Prejudiciële vragen:

1.         Is artikel 14 van verordening (EG) nr. 593/2008 van het Europees Parlement en de Raad van 17 juni 2008 inzake het recht dat van toepassing is op verbintenissen uit overeenkomst (Rome I) [hierna: „Rome I-verordening”] toepasselijk op de derdenwerking in het geval van meervoudige cessie?

2.         Indien de eerste prejudiciële vraag bevestigend moet worden beantwoord: door welk recht wordt de derdenwerking in dat geval geregeld?

3.         Indien de eerste prejudiciële vraag ontkennend moet worden beantwoord: is die bepaling van toepassing naar analogie?

4.         Indien de derde prejudiciële vraag bevestigend moet worden beantwoord: door welk recht wordt de derdenwerking in dat geval geregeld? [Or. 3]


Aangehaalde (recente) jurisprudentie: -

Specifiek beleidsterrein: JenV