C-566/18 Austrian Airlines

Prejudiciële hofzaak

Zie bijlage voor de verwijzingsuitspraak, en klik hier voor het dossier van het Hof van Justitie (voor zover beschikbaar).

Termijnen: Motivering departement:     29 oktober 2018
Schriftelijke opmerkingen:                     15 december 2018

Trefwoorden: luchtvaart; compensatie; annulering; langdurige vertraging

Onderwerp:

-           Verordening (EG) nr. 261/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 11 februari 2004 tot vaststelling van gemeenschappelijke regels inzake compensatie en bijstand aan luchtreizigers bij instapweigering en annulering of langdurige vertraging van vluchten en tot intrekking van Verordening (EEG) nr. 295/91.


Feiten:

Verzoekers hebben een vlucht geboekt van Austrian Airlines (verweerster) als uitvoerende luchtvaartmaatschappij. Op de dag van de vliegreis vernamen verzoekers dat de vlucht wegens een technisch gebrek was geannuleerd. Verzoekers werden vervolgens omgeboekt op een vlucht een dag later, ook van verweerster als uitvoerende luchtvaartmaatschappij en met een aansluitende vlucht van United Airlines als uitvoerende luchtvaartmaatschappij. Deze vlucht van verweerster was wegens een technisch defect vertraagd, waardoor het vliegtuig ongeveer 2 en een half uur later vertrok. Hierdoor misten verzoekers de aansluitende vlucht en werden zij omgeboekt op een andere aansluitende vlucht die ongeveer 5 uur later in New York landde. Verzoekers vorderen van verweerster, op grond van verordening nr. 261/2004, compensatie voor de geannuleerde vlucht en de vertraagde vervangende vlucht. De rechter in eerste aanleg heeft uiteengezet dat er met betrekking tot de oorspronkelijke vlucht sprake is van een annulering als bedoeld in verordening nr. 261/2004. Het vervangende vervoer de volgende dag is met een vertraging van 4 uur en 39 minuten op de eindbestemming aangekomen. Derhalve hebben de verzoekers recht op extra compensatie voor de vertraging van de vervangende vlucht. Tevens hebben verzoekers recht op vergoeding van de kosten van maaltijden, alsmede van de nutteloos geworden hotelkosten. De gestelde onkosten vallen daarentegen onder de toegekende compensatiebetalingen. Verweerster heeft hoger beroep ingesteld tegen de toekenning van de extra compensatie voor de vertraagde vervangende vlucht wegens een onjuiste juridische beoordeling. Verzoekers stellen in hoger beroep dat zij voor de vertraging van een vervangende vlucht recht hebben op extra compensatie van telkens 600 EUR.


Overweging:

De rechter overweegt dat een luchtvaartmaatschappij aan de passagier cumulatief compensatie moet betalen en bijstand en verzorging dient aan te bieden wanneer een vlucht op het laatste ogenblik wordt geannuleerd. Het Hof heeft in zaak C-83/10 geoordeeld dat het begrip “verdere compensatie” in artikel 12 van verordening nr. 261/2004 niet kan dienen als rechtsgrondslag om een luchtvervoerder te veroordelen tot terugbetaling aan de passagiers, van de uitgaven die deze hebben gemaakt ten gevolge van de niet-nakoming door die luchtvervoerder van de krachtens artikelen 8 en 9 op hem rustende verplichtingen van bijstand en van verzorging. Daarbij heeft het Hof geoordeeld dat wanneer de luchtvervoerder deze verplichtingen niet nakomt, de reizigers aanspraak maken op een recht op compensatie op grond van de in de artikelen vermelde elementen. De rechter verwijst dan naar andere taalversies van het arrest waaruit blijkt dat met “recht op compensatie” het recht op compensatie krachtens artikel 7 van de verordening wordt bedoeld. Een niet (passende) nakoming van verplichtingen van bijstand en van verzorging veroorzaakt derhalve niet alleen een naar nationaal recht te beoordelen recht op schadevergoeding maar eveneens een (verder) recht op compensatie. Deze uitlegging wordt bevestigd door een oordeel van het Duitse Bundesgerichtshof. Volgens dit oordeel wordt het doel van verordening nr. 261/2004 alleen in aanmerking genomen door artikel 5, lid 1, onder c), iii) aldus uit te leggen dat een recht op compensatie alleen is uitgesloten wanneer de passagier de eindbestemming met de vervangende vlucht inderdaad minder dan twee uur later dan de geplande aankomsttijd kon bereiken. Bovendien heeft het Hof geoordeeld dat voor de toepassing van de in artikel 7 voorzien forfaitaire compensatie in geval van een vlucht met rechtstreekse aansluitingen enkel de vertraging van belang is die is vastgesteld ten opzichte van de oorspronkelijk geplande aankomsttijd op de eindbestemming.


Prejudiciële vragen:

1.         Moeten de artikelen 5 en 7 van verordening (EG) nr. 261/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 11 februari [Or. 2] 2004, aldus worden uitgelegd dat luchtreizigers krachtens de verordening voor dezelfde boeking meermaals aanspraak kunnen maken op compensatie, wanneer de vlucht waarop de luchtvaartonderneming de reiziger heeft omgeboekt, wordt geannuleerd of vertraagd met meer dan drie uren, met het gevolg dat de compensatie krachtens artikel 7 van de verordening geen vaste compensatie is, maar afhangt van het aantal annuleringen of van de omvang van de annulering en dus van de vertraging?

2.         Indien de eerste vraag bevestigend wordt beantwoord, hoe kan dat worden verzoend met het door het Hof in het arrest van 19 november 2009, Sturgeon e.a., C-402/07 en C-432/07, EU:C:2009:716, geformuleerde beginsel dat artikel 5 van die verordening aldus moet worden uitgelegd dat passagiers van wie de vluchten zijn vertraagd, voor de voorschriften inzake compensatie moeten worden behandeld als passagiers van wie de vluchten zijn geannuleerd, wanneer inzake aanspraak op compensatie door het Hof in zijn arrest van 23 oktober 2012, Nelson e.a., C-581/10 en C-629/10, EU:C:2012:657, is verklaard dat met vertragingen van meer dan drie uren geen rekening kan worden gehouden bij de berekening van de vaste compensatie?


Aangehaalde (recente) jurisprudentie: Sturgeon e.a., C-402/07 en C-432/07, EU:C:2009:716; Nelson e.a., C-581/10 en C-629/10, EU:C:2012:657; Aurora Sousa Rodriguez e.a./Air France SA heeft het Hof in zijn arrest (van 13 oktober 2011, C-83/10) arrest van het Hof van 26 februari 2013, Air France/Folkerts (C-11/11, punten 35 e.v.); Delta Air Lines Inc./Daniel Dam Hanse e.a., met zaaknummer C-305/15

Specifiek beleidsterrein: IenW, EZK