C-573/18 en C-574/18 C e.a.

Prejudiciële hofzaak 

Zie bijlage voor de verwijzingsuitspraak, en klik hier voor het dossier van het Hof van Justitie (voor zover beschikbaar).

Termijnen: Motivering departement:     5 november 2018
Schriftelijke opmerkingen:                     22 december 2018

Trefwoorden: btw; GO groente en fruit; financiële steun; actiefondsen;

Onderwerp:

-           verordening (EG) nr. 2200/96 van de Raad van 28 oktober 1996 houdende een gemeenschappelijke ordening der markten in de sector groenten en fruit

-           Zesde richtlijn (77/388/EEG) van de Raad van 17 mei 1977 betreffende de harmonisatie van de wetgevingen der lidstaten inzake omzetbelasting (Zesde richtlijn)

-           Verordening (EG) nr. 609/2001 van de Commissie van 28 maart 2001 tot vaststelling van toepassingsbepalingen van verordening (EG) nr. 2200/96 van de Raad voor wat de operationele programma’s, de actiefondsen en de toekenning van communautaire financiële steun betreft, en tot intrekking van verordening (EG) nr. 411/97

-           Verordening (EG) nr. 1433/2003 van de Commissie van 11 augustus 2003 tot vaststelling van toepassingsbepalingen van verordening (EG) nr. 2200/96 van de Raad voor wat de actiefondsen, de operationele programma’s en de toekenning van financiële steun betreft.


Feiten:

In zaak C-573/18 is verzoekster een GmbH & Co. KG. C-eG was een van haar vennoten. Verzoekster in C-574/18 is de rechtsopvolgster van M-eG. Beide verzoeksters waren in de litigieuze tijdvakken actief als groothandelaren voor fruit, groente en aardappelen en brachten de door haar leden geproduceerde en aan haar geleverde producten in de handel. Bovendien waren zij geregistreerde telersverenigingen in de zin van verordening 2200/96.  Op grond van artikel 15 van deze verordening kunnen telersverenigingen een actiefonds vormen. Dit is een doelvermogen naar privaatrecht en wordt voor de helft van middelen voorzien door bijdragen van de bij de telersvereniging aangesloten telers en voor de andere helft door financiële steun in de zin van artikel 15, lid 1 van de verordening. Door middel van het actiefonds kunnen operationele programma’s worden gefinancierd, die moeten worden voorgelegd aan en worden goedgekeurd door de bevoegde nationale instanties (artikel 15, lid 2, onder b) en artikel 16 van de verordening). In zaak C-573/18 werden dergelijke investeringen in afzonderlijke bedrijven verricht. Hiervoor sloot verzoekster met verschillende telers projectcontracten. Meestal bracht verzoekster 75% van haar netto aankoopkosten voor het contractgoed plus omzetbelasting in rekening. De resterende 25% werd betaald uit hoofde van de financiële steun. In 2006 waren er echter ook gevallen waar de betrokken telers slechts 50% van de kosten betaalden en waar de resterende 50% betaald werd uit hoofde van de financiële steun. Verzoekster bracht de voorbelasting over de leveringen van de voorleveranciers volledig in aftrek en onderwierp alleen de aan de telers gefactureerde bedragen aan omzetbelasting. In zaak C-574/18 sloot M-eG ter verrichting van investeringen in afzonderlijke bedrijven met de betrokken telers aankoop- en gebruikscontracten. In haar btw-aangiften bracht M-eG de voorbelasting over de leveringen van de voorleveranciers volledig in aftrek. De door het actiefonds betaalde bedragen beschouwden beide verzoeksters niet als vergoeding voor leveringen aan de telers. Na een belastingcontrole, stelde de belastingdienst rectificatieaanslagen vast. De belastingdienst is van opvatting dat verzoeksters de betrokken telers beschikkingsbevoegdheid over het geheel van de contractgoederen hebben verleend en dus een levering hebben verricht. Alhoewel de financiële steun voor het actiefonds niet-belastbare subsidie is, is op de verrichte handelingen van verzoeksters ten behoeve van de telers de minimale heffingsgrondslag van toepassing. De rechter in eerste aanleg stelt de belastingdienst in gelijk.


Overweging:

De verwijzende rechter twijfelt over de verenigbaarheid met het Unierecht van de op het nationaal recht gebaseerde beoordelingen. Onder het nationaal recht geldt de aangegane contractverplichting voor een langere tijd dan die van artikel 11, lid 1, onder c) punt 3, van verordening 2200/96. Om deze reden zou er onder het Unierecht sprake kunnen zijn van ruil met bijbetaling. Dit zou betekenen dat de heffingsgrondslag moet worden bepaald overeenkomstig artikel 11, A, lid 1, onder a) van de Zesde richtlijn. Dat impliceert dat de heffingsgrondslag alles omvat wat de waarde vormt van de tegenprestatie die de leverancier voor de levering verkrijgt of zal verkrijgen van de afnemer van de dienstverrichting of een derde, met inbegrip van de “rechtstreeks met de prijs van die handeling verband houdende subsidies”. In die context zou de door de telers aangegane leveringsverplichting in aanmerking moeten worden genomen. Dit is in casu het geval met betrekking tot de levering tegen een verlaagde prijs door verzoeksters en de verplichting van de telers om hun opbrengst aan fruit en groente aan verzoeksters te leveren. Het is twijfelachtig of er onder het Unierecht wel sprake is van ruil met bijbetaling, aangezien op grond van de op Unierecht gebaseerde statuten een (kortere) leveringsverplichting op de teler rust. Bovendien zou ook tegen die beoordeling pleiten dat de belasting voor de toekomstige leveringen van fruit en groente pas verschuldigd kan zijn, wanneer alle relevante bestanddelen van het belastbare feit, bekend zijn. Bijgevolg kan over aan- of vooruitbetalingen voor leveringen van goederen of voor diensten die nog niet duidelijk zijn bepaald, geen btw worden geheven. De verwijzende rechter is geneigd aan te nemen dat de verplichting om nog niet nauwkeuring omschreven fruit en groente te leveren, desalniettemin volstaat. Los daarvan wenst de verwijzende rechter te vernemen of de financiële steun die door het actiefonds aan de telersvereniging wordt uitbetaald in de zin van artikel 15, verordening 2200/96 moet worden beschouwd als door een derde verstrekte subsidie die “rechtstreeks verband houdt met de prijs van de handelingen”. Artikel 11, A lid 1, onder a) van de Zesde richtlijn strekt ertoe, de volledige waarde van de goederen of diensten aan de btw te onderwerpen en te vermijden dat de bepaling van een subsidie ertoe leidt dat de belastingopbrengsten minder hoog zijn. Volgens de verwijzende rechter is het onduidelijk wie in casu moet worden beschouwd als derde in de zin van dit artikel. Met de cofinanciering door het actiefonds wordt beoogd het verantwoordelijkheidsbesef van de telersverenigingen te versterken en ervoor te zorgen dat de hun toegewezen overheidsgelden toekomstgericht worden besteed. Derhalve is er twijfel of sprake is van een subsidie de rechtstreeks verband houdt met de prijs van de handelingen. Volgens het Hof is het voor het beschouwen als subsidie die rechtstreeks verband houdt met de prijs van de handelingen een rechtstreeks verband tussen de levering en de subsidie vereist. De verwijzende rechter is geneigd aan te nemen dat aan de voorwaarden is voldaan. De verwijzende rechter twijfelt echter doordat het Hof eerder heeft vastgesteld dat subsidies die worden betaald uit hoofde van verordening 603/95 niet moeten worden beschouwd als “subsidies die rechtstreeks verband houden met de prijs van de handelingen”. De verwijzende rechter is van mening dat alhoewel die vaststellingen betrekking hebben op een andere feitelijke situatie, deze toch relevant kunnen zijn. In het geval dat het Hof oordeelt dat de maatstaf van heffing bij de toekenning van financiële steun enkel de door de telers betaalde bedragen omvat, vraagt de verwijzende rechter of het Unierecht zich verzet tegen de toepassing van de minimale heffingsgrondslag. Deze maatregel mag namelijk op grond van de Zesde richtlijn enkel worden toegepast voor zover dat strikt noodzakelijk is om belastingfraude of ontwijking te voorkomen. Volgens de verwijzende rechter zou de toepassing van deze heffingsgrondslag ontoelaatbaar kunnen zijn indien het feit dat de levering tegen verlaagde kosten wordt verricht, wordt veroorzaakt door de financiële steun die de leverancier van de EU ontvangt. Met de derde vraag wenst de verwijzende rechter te vernemen of de heffingsgrondslag mag worden toegepast alhoewel de ontvanger van de prestaties recht heeft op volledige aftrek van de voorbelasting indien sprake is van levering van investeringsgoederen tegen verlaagde prijzen die onderworpen zijn aan herziening van de aftrek. Het Hof heeft eerder vastgesteld dat deze heffingsgrondslag niet toepasbaar is bij prestaties ten behoeve van een ondernemer die recht heeft op volledige aftrek.


Prejudiciële vragen:

1.         Dient, in omstandigheden als die van het hoofdgeding, waarin een telersvereniging in de zin van artikel 11, lid 1, en artikel 15 van verordening (EG) nr. 2200/96 van de Raad van 28 oktober 1996 houdende een gemeenschappelijke ordening der markten in de sector groenten en fruit, goederen levert aan de bij haar aangesloten telers en daarvoor van de telers een betaling ontvangt die niet de aankoopprijs van die goederen dekt,

a) te worden uitgegaan van ruil met bijbetaling, aangezien de telers zich als tegenprestatie voor de handeling ten opzichte van de telersvereniging contractueel hebben verplicht om voor de duur van de oormerkingstermijn groente en fruit aan de telersvereniging te leveren, zodat de maatstaf van heffing van de handeling de door de telersvereniging aan de voorleveranciers betaalde aankoopprijs van de investeringsgoederen is?

b) het bedrag voor de prestatie dat feitelijk door het actiefonds aan de telersvereniging wordt betaald, voor het volledige bedrag te worden beschouwd als „subsidie die rechtstreeks verband houdt met de prijs van de handelingen” in de zin van artikel 11, A, lid 1, onder a), van de Zesde richtlijn (77/388/EEG) van de Raad van 17 mei 1977 betreffende de harmonisatie van de wetgevingen der lidstaten inzake omzetbelasting (Zesde richtlijn), zodat de maatstaf van heffing ook de financiële steun in de zin van artikel 15 van verordening nr. 2200/96 omvat die op basis van een operationeel programma door de bevoegde instanties aan het actiefonds is toegekend?

2.         Indien in het licht van het antwoord op de eerste vraag als maatstaf van heffing enkel de door de telers verrichte betalingen, maar niet de leveringsverplichting en de financiële steun in aanmerking dienen te worden genomen: verzet zich, in de in de eerste vraag omschreven omstandigheden, artikel 11, A, onder a), van de Zesde richtlijn tegen een op artikel 27, lid 1, van de Zesde richtlijn gebaseerde nationale bijzondere maatregel als § 10, lid 5, eerste alinea, van het Umsatzsteuergesetz (wet op de omzetbelasting), uit hoofde waarvan de maatstaf van heffing voor de prestaties ten gunste van de telers de door de telersvereniging aan de voorleveranciers betaalde aankoopprijs van de investeringsgoederen is, aangezien de telers nauw met hen verbonden personen zijn?

3.         Voor het geval dat de tweede vraag ontkennend wordt beantwoord: Geldt dit ook indien de telers recht hebben op volledige aftrek van de voorbelasting, daar de investeringsgoederen onderworpen zijn aan herziening van de aftrek (artikel 20 van de Zesde richtlijn)?


Aangehaalde (recente) jurisprudentie: Mercedes-Benz Financial Services UK C-164/16; RCI Europe C-37/08; Serebryannay vek C-283/12; Bertelsmann C-380/99; Naturally Yours Cosmetics C-230/87; Empire Stores C-33/93; BUPA Hospitals en Goldsborough Developments C-419/02; Air France-KLM e.a. C-250/14 en C-289/14; Macdonald Resorts C-270/09; Orfey Balgaria C-549/11; Commissie/Duitsland C-144/02; Keeping Newcastle Warm C-353/00; Office des produits wallons C-184/00; Commissie/Italië, C-381/01; Commissie/Finland C-495/01; Commissie/Zweden C-463/02; Skripalle C-63/96; Hof Balkan and Sea Properties und Provadinvest, C-621/10 en C-129/11

Specifiek beleidsterrein: LNV; FIN-fsc