C-583/18 Verbraucherzentrale Berlin

Prejudiciële hofzaak 

Zie bijlage voor de verwijzingsuitspraak, en klik hier voor het dossier van het Hof van Justitie (voor zover beschikbaar).

Termijnen: Motivering departement:      8 november 2018
Schriftelijke opmerkingen:                      25 december 2018

Trefwoorden: consumentenbescherming; dienstenovereenkomsten

Onderwerp:

-           Richtlijn 2011/83/EU van het Europees Parlement en de Raad van 25 oktober 2011 betreffende consumentenrechten


Feiten:

Verzoekster in de zaak is een vereniging die de belangen van consumenten behartigt. Verweerster biedt als tussenpersoon de producten “BahnCard 25” en “BahnCard 50” aan waarmee de klant een bepaalde korting op de treinkaartjes van DB Fernverkehr AG kan krijgen. Verweerster biedt de mogelijkheid om de “BahnCard 25” via de website te bestellen. De informatie op de website bevat geen mededeling over een herroepingsrecht bij verkoop op afstand. Verzoekster vordert dat verweerster een einde maakt aan het in het kader van economische handelingen via het internet aanbieden of doen aanbieden van de besteloptie voor de “BahnCard 25” zonder de consument voordat hij zijn bestelling opgeeft, informatie over het herroepingsrecht te verstrekken en het modelformulier voor herroeping aan te bieden. Zij acht het oneerlijk dat verweerster in strijd met haar wettelijke verplichtingen bij de verkoop van de Bahncard geen informatie verstrekt over het bestaan van een herroepingsrecht noch een modelformulier voor herroeping aanbiedt.


Overweging:

De Duitse wet stelt als voorwaarde dat de overeenkomst een prestatie onder bezwarende titel van de ondernemer tot voorwerp heeft. Het begrip prestatie omvat goederen en diensten, maar het begrip diensten is niet duidelijk gedefinieerd. In richtlijn 2011/83/EU wordt een onderscheid gemaakt tussen koopovereenkomsten en dienstenovereenkomsten. De verwijzende rechter neigt ertoe de richtlijn in die zin uit te leggen dat dit geval binnen het toepassingsgebied van de richtlijn valt. De dienstenovereenkomst is volgens de richtlijn iedere andere overeenkomst dan een verkoopovereenkomst, waarbij de handelaar de consument een dienst levert of zich ertoe verbindt een dienst te leveren en de consument de prijs daarvan betaalt of zich ertoe verbindt de prijs ervan te betalen. Er is gezien het doel en de strekking van de richtlijn geen reden om iemand de bescherming van de richtlijn te ontzeggen wanneer in eerste instantie slechts indirect een prestatie in de vorm van een toezegging of een recht wordt geleverd. In casu bestaat de prestatie eruit dat de consument een recht wordt verschaft waarmee hij in de toekomst aanspraak kan maken op vervoerdiensten tegen een gereduceerd tarief. Het Hof heeft eerder geoordeeld dat de toetreding van een consument tot een gesloten vastgoedfonds met de vorm van een personenvennootschap binnen het toepassingsgebied van de richtlijn valt en derhalve een prestatie inhoudt. Dit kan als een aanwijzing voor een eerder ruim toepassingsgebied worden begrepen. Wat betreft de tweede vraag, vermeldt de verwijzende rechter dat de Duitse wet overeenkomsten voor passagiersvervoersdiensten uitzondert van het toepassingsgebied van de richtlijn. Volgens de richtlijn worden deze diensten uitgezonderd, omdat er al andere Uniewetgeving voor dit gebied bestaat, of omdat dit op nationaal niveau geregeld is. De overeenkomst in casu strekt er niet rechtstreeks toe vervoer te bewerkstelligen, omdat er sprake is van een soort raamovereenkomst die Deutsche Bahn ertoe verplicht de koper korting te geven wanneer deze opdracht geeft tot het leveren van een concrete reisdienst. Volgens de verwijzende rechter valt deze overeenkomst desondanks onder de sectorale uitsluiting. Het Hof heeft de uitdrukking “verrichten van diensten voor vervoer” in richtlijn 97/7/EG namelijk in eerdere rechtspraak ruim uitgelegd. Richtlijn 97/7/EG is ingetrokken bij richtlijn 2011/83/EU. Het begrip “diensten voor vervoer” werd hier vervangen door “overeenkomsten voor passagiersvervoerdiensten”. Dit leidt tot een striktere formulering van de sectorale uitsluiting. Naar het oordeel van de verwijzende rechter gaat dit echter niet gepaard met een beperking van de uitsluiting,  zodat deze ook het soort gevallen omvat als het onderhavige, waarbij niet rechtstreeks een vervoerdienst wordt geleverd.


Prejudiciële vragen:

1.         Moet artikel 2, punt 6, van richtlijn 2011/83/EU van het Europees Parlement en de Raad van 25 oktober 2011 betreffende consumentenrechten aldus worden uitgelegd dat het ook van toepassing is op overeenkomsten waarbij de handelaar niet rechtstreeks tot het leveren van een dienst wordt verplicht, maar de consument het recht verwerft bij in de toekomst in opdracht gegeven diensten een korting te ontvangen?

Indien de eerste vraag bevestigend wordt beantwoord,

2.         moet de sectorale uitsluiting van „overeenkomsten voor passagiersvervoerdiensten” zoals bepaald in artikel 3, lid 3, onder k), van richtlijn 2011/83/EU van het Europees Parlement en de Raad van 25 oktober 2011 betreffende consumentenrechten aldus worden uitgelegd dat zij ook van toepassing is op situaties waarin aan de consument als tegenprestatie niet rechtstreeks een vervoerdienst wordt geleverd, maar deze het recht verwerft bij in de toekomst te sluiten vervoersovereenkomsten een korting te ontvangen?


Aangehaalde (recente) jurisprudentie: E. Friz GmbH/Carsten von der Heyden (C-215/08, ECLI:EU:C:2010:186); „easyCar” [OMISSIS] [C-336/03, ECLI:EU:C:2005:150]

Specifiek beleidsterrein: EZK, IenW