C-584/18 D.Z.

C-584/18 D.Z.

Prejudiciële hofzaak 

Zie bijlage voor de verwijzingsuitspraak, en klik hier voor het dossier van het Hof van Justitie (voor zover beschikbaar).

Termijnen: Motivering departement:      12 november 2018
                  Schriftelijke opmerkingen:     29 december 2018

Trefwoorden: visumplicht; Schengen; directe werking

Onderwerp: o.a

-           Verordening 539/2001 tot vaststelling van de lijst van derde landen waarvan de onderdanen bij overschrijding van de buitengrenzen in het bezit moeten zijn van een visum en de lijst van derde landen waarvan de onderdanen van die plicht zijn vrijgesteld;

-           Verordening (EG) nr. 261/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 11 februari 2004 tot vaststelling van gemeenschappelijke regels inzake compensatie en bijstand aan luchtreizigers bij instapweigering en annulering of langdurige vertraging van vluchten en tot intrekking van verordening (EEG) nr. 295/91;

-           Verordening (EG) nr. 562/2006 van het Europees Parlement en de Raad van 15 maart 2006, tot vaststelling van een communautaire code betreffende de overschrijding van de grenzen door personen;

-           Verordening (EU) 2016/399 van het Europees Parlement en de Raad van 9 maart 2016 betreffende een Uniecode voor de overschrijding van de grenzen door personen (Schengengrenscode);

-           Besluit nr. 565/2014/EU van het Europees Parlement en de Raad van 15 mei 2014 tot instelling van een vereenvoudigde regeling voor de controle van personen aan de buitengrenzen, gebaseerd op de eenzijdige erkenning door Bulgarije, Kroatië, Cyprus en Roemenië van bepaalde documenten als gelijkwaardig met hun nationale visa voor de doorreis over hun grondgebied of een voorgenomen verblijf op hun grondgebied van ten hoogste 90 dagen binnen een periode van 180 dagen en tot intrekking van de beschikkingen nr. 895/2006/EG en nr. 582/2008/EG;

-           Informatie van de Commissie over inkennisstellingen door de lidstaten van besluiten met betrekking tot de toepassing van besluit nr. 565/2014/EU van het Europees Parlement en de Raad.


Feiten:

Verzoeker, D.Z., is onderdaan van een derde land. Verweerster, Blue Air, is een Roemeense luchtvaarmaatschappij die in Cyprus als buitenlandse vennootschap is geregistreerd. Op 6 september 2015 is verzoeker de instap geweigerd op een vlucht van verweerster van Larnaca naar Boekarest. Op dit tijdstip maakten Cyprus en Roemenië nog niet volledig deel uit van het Schengengebied. Derhalve waren de grenscontroles aan hun buitengrenzen, zoals de luchthavens van beide landen, nog niet afgeschaft. Verzoeker beschikte op het moment nog niet over een visum voor Roemenië. Hij was echter wel houder van een voorlopige vergunning tot verblijf op het grondgebied van Cyprus. Voor de datum van vertrek had verzoeker een elektronische aanvraag voor een Roemeens visum ingediend. Hierin had verzoeker verklaard onder de categorie “I hold a short-stay issued by Bulgaria, Cyprus or Croatia” te vallen. Bij indiening van zijn aanvraag was besluit 565/2014 van kracht en werd dat zowel door Cyprus als door Roemenië toegepast. Op basis hiervan antwoordde het Roemeense ministerie van Buitenlandse zaken dat het verblijf van verzoeker de 90 dagen binnen een periode van 180 dagen niet zou overschrijden. Bij controle op het vliegveld door medewerkers van Blue Air werd besloten verzoeker niet te laten instappen in het vliegtuig omdat verweerster zich bij vervoer van verzoeker zou blootstellen aan strafrechtelijke en administratieve sancties wegens schending van de wet. Verzoeker heeft geprotesteerd en verzocht om een schriftelijke motivering van de instapweigering, maar deze heeft hij niet gekregen. Evenmin is hem ooit enige met redenen omklede beslissing van de Roemeense autoriteiten verstrekt waarbij hem de toegang tot Roemenië is geweigerd.


Overweging:

De verwijzende rechter is van oordeel dat onderdanen van derde landen op grond van verordening 539/2001 weliswaar visumplichtig zijn, maar dat zowel Cyprus als Roemenië zijn onderworpen aan besluit 565/2014 en zich ertoe hebben verbonden om de in bijlage III van besluit 565/2014 vermelde visa voor doorreis over hun grondgebied en/of verblijfstitels voor een voorgenomen verblijf op hun grondgebied van ten hoogste 90 dagen binnen een periode van 180 dagen als gelijkwaardig met hun nationale visa te beschouwen. Deze visa/verblijfstitels omvatten de voorlopige vergunning tot verblijf die de Cypriotische autoriteiten aan verzoeker hebben verleend. Onder deze omstandigheden is de verwijzende rechter van oordeel dat verzoeker ten aanzien van de erkenning van de voorlopige vergunning tot verblijf die hem door Cyprus was verleend, mocht afgaan op de inkennisstelling door deze twee lidstaten omtrent de toepassing van besluit 565/2014. De eerste tot en met de derde vraag gaan om de kwestie of besluit 565/2014 directe horizontale rechtsgevolgen sorteert waarop verzoeker zich voor de verwijzende rechter kan beroepen, teneinde jegens een particulier zijn recht geldend te maken. Het feit dat uit art. 288 VWEU en de rechtspraak van het Hof blijkt dat bepalingen van een besluit dat gericht is tot de lidstaten geen horizontale werking kunnen hebben, wil niet zeggen dat deze niet door een particulier tegen een andere particulier kunnen worden ingeroepen, aangezien de bepalingen geen verplichtingen in het leven roepen voor particulieren, maar voor de lidstaten. Besluit 565/2014 lijkt geen verplichtingen voor de lidstaten in het leven te hebben geroepen, maar slechts de vrijheid om, door instelling van een vereenvoudigd visumstelsel, af te wijken van de bepalingen van een verordening. De verwijzende rechter is van oordeel dat verzoeker, indien hem was toegestaan in te stappen en Roemeens grondgebied te bereiken, zich voor een Roemeense rechter rechtstreeks had kunnen beroepen op zijn recht van toegang tot dit land krachtens besluit 565/2014.  Met de vierde en vijfde vraag wenst de verwijzende rechter te vernemen of het in de onderhavige omstandigheden kan worden gehouden dat sprake was van een instapweigering in de zin van verordening 261/2004, op grond waarvan verzoeker in rechte schadevergoeding kan vorderen van de luchtvervoerder.


Prejudiciële vragen:

1.         Moet besluit nr. 565/2014/EU aldus worden uitgelegd dat het onmiddellijk rechtsgevolgen sorteert in de vorm van, enerzijds, rechten voor particulieren met de nationaliteit van een derde land om zonder visum toegang te verkrijgen tot de lidstaat van bestemming en, anderzijds, de verplichting voor die lidstaat van bestemming om geen visum te verlangen wanneer de persoon in het bezit is van een visum of verblijfstitel vermeld op de lijst van documenten die mogen worden erkend op grond van besluit nr. 565/2014/EU, wanneer de lidstaat van bestemming zich tot de toepassing daarvan heeft verbonden?

2.         Kan een luchtvervoerder, indien hij zelf en/of middels zijn gemachtigde vertegenwoordigers op het vliegveld van de lidstaat van vertrek met een beroep op de weigering van de autoriteiten van de lidstaat van bestemming om hem toegang te verlenen tot die staat op grond van het gestelde ontbreken van een visum, weigert een passagier te laten instappen, geacht worden te handelen als orgaan van deze staat (emanation of State), zodat de getroffen passagier zich jegens hem voor een rechterlijke instantie van de lidstaat van vertrek kan beroepen op besluit nr. 565/2014/EU om aan te tonen dat hij zonder nader visum recht van toegang had en om schadevergoeding te vorderen wegens de schending van dat recht en derhalve inbreuk op de vervoersovereenkomst?

3.         Kan een luchtvervoerder zelf en/of middels zijn gemachtigde vertegenwoordigers met een beroep op weigering van toegang tot de lidstaat van bestemming door de autoriteiten van die staat weigeren een onderdaan van een derde land te laten instappen, zonder voorafgaande afgifte en/of overhandiging aan die persoon van enige met redenen omklede beslissing waarbij hem de toegang wordt geweigerd [zie artikel 14, lid 2, van verordening (EG) nr. 2016/399, voorheen artikel 13 van verordening (EG) nr. 562/2006, dat voor weigering van de toegang een met redenen omklede beslissing vereist], met het oog op de eerbiediging van de grondrechten en met name van het recht op rechterlijke bescherming van de rechten van de getroffen passagier (zie artikel 4 van dezelfde verordening)?

4.         Moet artikel 2, onder j), van verordening (EG) nr. 261/2004 aldus worden uitgelegd dat daarbij de situatie van de toepassing van de verordening wordt uitgesloten waarin de luchtvervoerder een passagier op enig moment de instap weigert op grond van vermeende „ontoereikende reisdocumenten”? Is de uitlegging juist dat de instapweigering binnen de werkingssfeer van de verordening valt wanneer in rechte, op basis van de bijzondere omstandigheden van iedere zaak, wordt bevonden dat de reisdocumenten toereikend waren en dat de instapweigering ongerechtvaardigd of onrechtmatig was op grond van strijdigheid met het Unierecht?

5.         Kan een passagier het recht op compensatie als bedoeld in artikel 4, lid 3, van verordening (EG) nr. 261/2004 worden ontzegd met een beroep op een beding waarbij een luchtvervoerder elke aansprakelijkheid uitsluit of beperkt in het geval van beweerde ontoereikendheid van reisdocumenten, wanneer een dergelijk beding is opgenomen in de gebruikelijke en vooraf gepubliceerde algemene voorwaarden voor de werkwijze en/of dienstverrichting van een luchtvervoerder? Staat artikel 15 in samenhang met artikel 14 van deze verordening in de weg aan de toepassing van een dergelijk beding tot beperking en/of uitsluiting van de aansprakelijkheid van de luchtvervoerder?

Aangehaalde (recente) jurisprudentie: Arrest van 6 oktober 1970, Grad, 9/70, EU:C:1970:78; Arrest van 26 februari 1986, Marshall, 152/84, EU:C:1986:84; Arrest van 12 juli 1990, Foster e.a., C-188/89, EU:C:1990:313; Arrest van 17 januari 2013, Zakaria, C-23/12, EU:C:2013:24

Specifiek beleidsterrein: JenV