C-585/18, C-624/18 en C-625/18 Krajowa Rada Sądownictwa e.a.

Prejudiciële hofzaak

Zie bijlage voor de verwijzingsuitspraak, en klik hier voor het dossier van het Hof van Justitie (voor zover beschikbaar).

Termijnen: Motivering departement:    26 november 2018
Schriftelijke opmerkingen:                    07 januari 2019 (inclusief termijn van afstand!)

Trefwoorden: rechterlijke onafhankelijkheid; bevoegdheid

Onderwerp:

-           VEU artikel 19(1) en artikel 2 VEU;

-           Handvest van de grondrechten van de Europese Unie artikel 47 (hierna: Handvest);

-           Richtlijn 2000/78/EG van de Raad van 27 november 2000 tot instelling van een algemeen kader voor gelijke behandeling in arbeid en beroep artikel 9(1);


Feiten:

De drie zaken hebben betrekking op de hoogste rechters in Polen. C-585/18 betreft de NSA (hoogste bestuursrechter) en C-624/18 en C-625/18 betreffen de SN (hoogste rechterlijke instantie in burgerlijke en strafzaken).

C-585/18 - Verzoeker is rechter bij de NSA en heeft beroep ingesteld tegen het advies van de KRS (nationale raad voor de magistratuur). Volgens artikel 37(1) USN gaat een rechter met pensioen zodra hij 65 jaar is, tenzij de Poolse president toestemming geeft aan de rechter om aan te blijven. Voordat de president een beslissing neemt, vraagt hij de KRS om advies. Verzoeker kreeg negatief advies van de KRS en heeft zijn beroep bij de SN ingediend, omdat er gronden bestaan aan te nemen dat de KRS het beroep niet in behandeling zal nemen.

C-624/18 en C-625/18 - Verzoeker is rechter bij de SN en heeft verzocht om een verklaring voor recht dat zijn actieve dienstverband bij de SN - dat op 03.07.2018 bestond - op 04.07.2018 niet is gewijzigd in een dienstverband als gepensioneerd rechter. Tevens heeft verzoeker verzocht om bewarende maatregelen. Op 17.07.2018 ontving verzoeker een brief van de president waarbij hem werd medegedeeld met ingang van 04.07.2018 te worden gepensioneerd.

In deze zaken hebben de verzoekers o.a. schending van het verbod van discriminatie en schending van het beginsel van effectieve rechterlijke bescherming aangevoerd. De tuchtkamer van de SN, die bevoegd is voor dit soort geschillen, moet uitsluitend bestaan uit nieuwe rechters die door de KRS zijn geselecteerd. Er zijn echter nog geen rechters benoemd voor de tuchtkamer. De rechters-leden bij de KRS zijn in 2018 gekozen door de twee kamers van het Poolse parlement. Voorheen werden de rechters-leden van de KRS gekozen door de algemene vergadering van rechters. De wijze waarop de rechters bij de SN worden geselecteerd is dus fundamenteel veranderd. De selectie vindt plaats door een orgaan waarvan de samenstelling wordt bepaald door de wetgevende en de uitvoerende macht.


Overweging:

Indien de eerste vraag ontkennend wordt beantwoord en de tweede vraag bevestigend, dan kan de onderhavige zaak inhoudelijk worden behandeld door een kamer van de SN die volgens nationaal recht daartoe niet bevoegd is, maar wel voldoet aan de eisen die het Unierecht aan een rechterlijke instantie stelt. Het is niet zeker of de Poolse rechterlijke instanties voldoen aan de noodzakelijke eisen voor een rechterlijke instantie in de zin van het Unierecht. De rechter bij de SN die om de bescherming van zijn rechten verzoekt, wordt de mogelijkheid ontnomen om beroep in rechte in te stellen wanneer hij zich daarvoor tot een rechterlijke instantie dient te wenden die de facto niet bestaat. Deze vraag is reeds opgeworpen in C-537/18.


Prejudiciële vragen C-585/18:

1. Moet artikel 267, derde alinea, VWEU junctis de artikelen 19, lid 1, en artikel 2 VEU en artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie aldus worden uitgelegd dat de nieuwe kamer bij de rechterlijke instantie van een lidstaat die in laatste instantie uitspraak doet, die bevoegd is om kennis te nemen van het beroep van een nationale rechter en die uitsluitend moet zijn samengesteld uit rechters die zijn geselecteerd door een nationaal orgaan dat belast is met het waarborgen van de onafhankelijkheid van de rechterlijke instanties (Krajowa Rada Sądownictwa), maar wegens de wijze waarop dat orgaan is samengesteld en functioneert niet van de wetgevende en de uitvoerende macht onafhankelijk is, een onafhankelijk gerecht in de zin van het Unierecht is?

2. Ingeval de eerste prejudiciële vraag ontkennend wordt beantwoord: moet artikel 267, derde alinea, VWEU junctis de artikelen 19, lid 1, en artikel 2 VEU en artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie aldus worden uitgelegd dat een onbevoegde kamer van een rechterlijke instantie van een lidstaat die in laatste instantie uitspraak doet, die voldoet aan de vereisten van het Unierecht voor een rechterlijke instantie en waarbij een beroep is ingesteld in een Unierechtelijk geschil, de bepalingen van nationaal recht buiten toepassing moet laten die haar ter zake onbevoegd verklaren?


Prejudiciële vragen C-624/18 en C-625/18:

1. Moet artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie juncto artikel 9, lid 1, van richtlijn 2000/78/EG van de Raad van 27 november 2000 tot instelling van een algemeen kader voor gelijke behandeling in arbeid en beroep aldus worden uitgelegd dat een rechterlijke instantie van een lidstaat die in laatste instantie uitspraak doet, wanneer daarbij een vordering wordt ingesteld wegens schending van het verbod van discriminatie op grond van leeftijd ten aanzien van een rechter van deze rechterlijke instantie en tevens wordt verzocht om bewarende maatregelen – met het oog op de waarborging van de aan het Unierecht ontleende rechten door vaststelling van een in het nationale recht voorziene voorlopige maatregel – moet weigeren nationale bepalingen toe te passen die de bevoegdheid in de zaak waarin het beroep in rechte is ingesteld, voorbehouden aan een organisatorische eenheid van deze instantie die niet actief is omdat daarin geen rechters zijn benoemd?

2. Ingeval rechters worden benoemd bij de organisatorische eenheid die krachtens nationaal recht voor de beslissing op de ingestelde vordering bevoegd is: moet artikel 267, derde alinea, VWEU junctis de artikelen 19, lid 1, en artikel 2 VEU en artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie aldus worden uitgelegd dat een nieuwe kamer van een rechterlijke instantie van een lidstaat die in laatste instantie uitspraak doet, die bevoegd is om kennis te nemen van het beroep van een nationale rechter in eerste een tweede aanleg en die uitsluitend moet zijn samengesteld uit rechters die zijn geselecteerd door een nationaal orgaan dat belast is met het waarborgen van de onafhankelijkheid van de rechterlijke instanties (Krajowa Rada Sądownictwa), maar wegens de wijze waarop dat orgaan is samengesteld en functioneert niet van de wetgevende en de uitvoerende macht onafhankelijk is, een onafhankelijk gerecht in de zin van het Unierecht is?

3. Ingeval de tweede prejudiciële vraag ontkennend wordt beantwoord: moet artikel 267, derde alinea, VWEU junctis de artikelen 19, lid 1, en artikel 2 VEU en artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie aldus worden uitgelegd dat een onbevoegde kamer van een rechterlijke instantie van een lidstaat die in laatste instantie uitspraak doet, die voldoet aan de vereisten van het Unierecht voor een rechterlijke instantie en waarbij een beroep is ingesteld in een Unierechtelijk geschil, de bepalingen van nationaal recht buiten toepassing moet laten die haar ter zake onbevoegd verklaren?


Aangehaalde (recente) jurisprudentie: Torresi C-58/13 en C-59/13; Consorci Sanitari del Maresme C-203/14; Wilson C-506/04; TDC C-222/13; Associaçao Sindical dos Juizes Portugueses C-64/16; LM C-216/18; Unibet C-432/05; Egenberger C-414/16; Simmenthal C-106/77;

Specifiek beleidsterrein: