C-588/18 FETICO ea

C-588/18 FETICO ea

Prejudiciële hofzaak

Zie bijlage voor de verwijzingsuitspraak, en klik hier voor het dossier van het Hof van Justitie (voor zover beschikbaar).

Termijnen: Motivering departement:    14 november 2018
Schriftelijke opmerkingen:                     31 december 2018

Trefwoorden: arbeidstijden

Onderwerp: - richtlijn 2003/88/EG van het Europees Parlement en de Raad van 4 november 2003 betreffende een aantal aspecten van de organisatie van de arbeidstijd


Feiten:

De Spaanse vakbonden Federación de Trabajadores Independientes de Comercio (FETICO), de Federación de Servicios de Comisiones Obreras (CCOO) en de Federación Estatal de Servicios para la Movilidad y el Consumo de la Unión General de Trabajadores (FESMC-UGT) hebben op respectievelijk 4, 29 en 31 mei 2018 elk een vordering ingesteld tegen Grupo de Empresas DIA, S.A. en Twins Alimentación, S.A., met

betrekking tot een collectief arbeidsgeschil. Zij verzoeken de Audiencia Nacional, de verwijzende rechter, te verklaren dat de in artikel 46 van de collectieve arbeidsovereenkomst (‘cao’) vastgestelde vormen van

betaald verlof ingaan en verder worden opgenomen op werkdagen (dus op dagen waarop de werknemer die het verlof opneemt, moet werken) en niet op vrije dagen (rustdagen, vakantie- en feestdagen).

Verzoekende partijen hebben ingestemd met de prejudiciële verwijzing, daar zij zich afvragen of het feit dat werknemers het bij artikel 37, lid 3, WS geregelde betaalde verlof niet mogen opnemen wanneer de omstandigheid of gebeurtenis die aanleiding geeft tot het verlof, samenvalt met de wekelijkse rusttijd of de jaarlijkse vakantie, strookt met de artikelen 5 en 7 van richtlijn 2003/88, aangezien werknemers in die gevallen de voornoemde rusttijd, die een ander doel dient, moeten gebruiken voor die gebeurtenis of omstandigheid. Verweerders Grupo DIA, S.A. en Twins Alimentación, S.A. achtten het daarentegen niet nodig om prejudiciële vragen voor te leggen aan het Hof. Zij zijn van mening dat het geschil betrekking heeft op de regeling van betaald verlof en dus niet onder de bevoegdheid van het Hof van Justitie valt. Bovendien zijn zij van mening dat de wekelijkse en jaarlijkse rusttijd die is opgenomen in het Spaanse recht gunstiger is dan het bepaalde in richtlijn 2003/88 en dat de persoonlijke behoeften of burgerlijke verplichtingen waarvoor deze vormen van betaald verlof zijn opgezet, tijdens de vakantie kunnen worden nagekomen zonder dat die haar bestaansreden verliest.


Overweging:

Het geding heeft betrekking op de vraag of de in artikel 46 van de cao genoemde normen van betaald verlof, met uitzondering van het verlof wegens huwelijk, op werkdagen moeten worden opgenomen. Voorts wordt de verwijzende rechter verzocht te verklaren dat het verlof wegens huwelijk ingaat op een werkdag voor de werknemer, hoewel het wordt opgenomen in kalenderdagen. Noch in de collectieve arbeidsovereenkomst noch in het werknemersstatuut is bepaald of het verlof in kalenderdagen of in werkdagen wordt opgenomen, behalve in het geval van het verlof wegens huwelijk, waarvoor uitdrukkelijk is vermeld dat het moet worden berekend in kalenderdagen. De gebruikelijke praktijk in de verwerende ondernemingen bestaat erin dat betaald verlof ingaat op de dag waarop de gebeurtenis die aanleiding geeft tot het verlof plaatsvindt, ongeacht of de werknemer op die dag moet werken, en dat de duur ervan wordt berekend in kalenderdagen.

Het voorwerp ervan hangt evenwel nauw samen met het recht op jaarlijkse vakantie en wekelijkse rusttijd als bedoeld in richtlijn 2003/88, volgens welke een passende – wekelijkse of jaarlijkse – rusttijd bepalend is om de veiligheid en gezondheid van werknemers te garanderen en daarom verplicht moet worden opgenomen en niet door een financiële vergoeding mag worden vervangen. Richtlijn 2003/88 is omgezet in Spaans recht bij de artikelen 37, lid 1, en 38 WS, die gunstiger zijn dan de Europese regelgeving: in artikel 37, lid 1, WS is vastgesteld dat de wekelijkse rusttijd in de regel minimaal anderhalve dag

bedraagt, zonder onderbrekingen, en in artikel 38 WS is voor de jaarlijkse vakantie een minimumduur van 30 kalenderdagen vastgesteld. De twijfels hebben bijgevolg uitsluitend betrekking op de overlapping met de gegarandeerde minimumperioden in de Europese regelgeving (24 uur wekelijkse rusttijd en vier

weken vakantie). De beslissing van de verwijzende rechter is afhankelijk van de draagwijdte van het

recht op wekelijkse en jaarlijkse rusttijd, waarbij doorslaggevend is of de wekelijkse rusttijd en de jaarlijkse vakantie overeenkomstig richtlijn 2003/88 mogen samenvallen met verlof vanwege specifieke omstandigheden met een ander doel. Hoewel het Hof zich al meermaals heeft uitgesproken over het recht

op vakantie, kunnen die uitspraken niet op eenduidige wijze worden geëxtrapoleerd naar de onderhavige zaak. Voor de beslechting van het geschil dient te worden bepaald wat er gebeurt wanneer de omstandigheid of gebeurtenis waarvoor uit hoofde van de regelgeving betaald verlof wordt toegekend, plaatsvindt tijdens de wekelijkse rusttijd of de jaarlijkse vakantie van de werknemer. Verzoekende partijen beweren dat het verlof steeds moet ingaan op een werkdag en, met uitzondering van het verlof

wegens huwelijk, ook moet worden opgenomen op werkdagen, terwijl verwerende partijen stellen dat het verlof moet ingaan op de dag van de gebeurtenis die er aanleiding toe geeft, ongeacht of dat een werkdag is, en zonder onderbreking moet worden opgenomen in de daaropvolgende dagen, zonder vrije dagen uit te sluiten. De verwijzende rechter is van oordeel dat, indien een van de in artikel 37, lid 3, WS bedoelde situaties zich voordoet tijdens de wekelijkse rusttijd of de jaarlijkse vakantie, twee behoeften elkaar overlappen: die waaraan de rusttijd en de vakantie tegemoetkomen, en die welke overeenkomt met de situaties die in dat artikel zijn geregeld. Indien zou worden aanvaard dat het in een dergelijk geval niet mogelijk is om het verlof op een ander moment op te nemen dan tijdens de rusttijd of de vakantie, zouden die rusttijd en vakantie kunnen worden uitgehold, aangezien werknemers hun wekelijkse rusttijd of vakantie zouden moeten besteden aan het oplossen van problemen die worden veroorzaakt door een omstandigheid waarvoor is voorzien in betaald verlof, dat wettelijk gezien een ander doel dient.

Aangezien het gaat om rechten die zien op verschillende situaties, vraagt de verwijzende rechter zich af of, indien zij samenvallen in de tijd, maatregelen moeten worden genomen om te garanderen dat werknemers daadwerkelijk rust kunnen genieten zoals bepaald in richtlijn 2003/88.


Prejudiciële vragen:

1.         Moet artikel 5 van richtlijn 2003/88/EG van het Europees Parlement en de Raad van 4 november 2003 betreffende een aantal aspecten van de organisatie van de arbeidstijd aldus worden uitgelegd dat het zich verzet tegen een nationale regeling die toestaat dat de wekelijkse rusttijd samenvalt met betaald verlof dat wordt verleend voor andere doeleinden dan rust?

2.         Moet artikel 7 van richtlijn 2003/88/EG van het Europees Parlement en de Raad van 4 november 2003 betreffende een aantal aspecten van de organisatie van de arbeidstijd aldus worden uitgelegd dat het zich verzet tegen een nationale regeling die toestaat dat de jaarlijkse vakantie samenvalt met betaald verlof dat wordt verleend voor andere doeleinden dan rust, ontspanning en vrije tijd?



Aangehaalde (recente) jurisprudentie: o.a. Federatie Nederlandse Vakbeweging (C-124/05, EU:C:2006:244); Schultz-Hoff e.a. (C-350/06 en C-520/06, EU:C:2009:18); Vicente Pereda (C-277/08, EU:C:2009:542) (..) Maio Marques da Rosa (C-306/16, EU:C:2017:844);  King (C-214/16, EU:C:2017:914

Specifiek beleidsterrein: SZW