C-60/18 Tallinna Vesi

C-60/18 Tallinna Vesi

Prejudiciële hofzaak

Zie bijlage rechts voor de verwijzingsuitspraak, en klik hier voor het dossier van het Hof van Justitie (voor zover beschikbaar).


Termijnen: Motivering departement:    28 maart 2018
Schriftelijke opmerkingen:                    14 mei 2018

Trefwoorden: afvalstoffen

Onderwerp:
-           Richtlijn 2008/98/EG van het Europees Parlement en de Raad van 19 november 2008 betreffende afvalstoffen en tot intrekking van een aantal richtlijnen hierna: afvalstoffenrichtlijn;

Feiten:

Het hoofdgeding gaat in wezen erom dat verzoekster (Tallinna Vesi) het door haar behandelde zuiveringsslib uit stedelijk afvalwater als beplantingsaarde (als product) in de handel wil brengen, maar dat op het tijdstip van afgifte van de litigieuze vergunningen geen regelgeving bestond, noch Unierechtelijk noch in Estland, die criteria bevat op basis waarvan zuiveringsslib dat aan deze criteria beantwoordt, niet langer als afvalstof geldt maar als product aan te merken is. Bijgevolg mocht verzoekster het zuiveringsslib, ondanks dat het gestabiliseerd en gezuiverd was om bijvoorbeeld als beplantingsaarde te dienen, alleen afstaan aan een persoon die over de juiste afvalstoffenvergunning, een geïntegreerde milieuvergunning of een registratiebewijs beschikte.

Verweerder (milieuagentschap) verleende verzoekster (Tallinna Vesi) bij besluit van 28.10.2014 een afvalstoffenvergunning voor de nuttige toepassing van afvalstoffen in een afvalverwerkingsinstallatie in Tallinn, en vervolgens bij besluit van 19.06.2015 nog een afvalstoffenvergunning voor de nuttige toepassing van afvalstoffen in een afvalverwerkingsinstallatie in de gemeente Harku. Verzoekster legt zich toe  op de afvoer van stedelijk afvalwater en afvalwaterbehandeling in een actiefslibinstallatie. Volgens verzoekster gaat het hierbij om een biologisch procedé voor afvalwaterreiniging en –recycling en had de onderneming een dienovereenkomstige afvalstoffenvergunning aangevraagd. Volgens §15(4) JäätS is biologische recycling een behandeling voor nuttige toepassing van afvalstoffen waarbij de afvalstoffen tot producten worden verwerkt en waardoor de afvalstoffen niet langer als afvalstoffen gelden. Overeenkomstig §21(1)3 JäätS wordt een stof of voorwerp een product wanneer aan de productnorm voor een specifiek doel is voldaan. Het stabiliserings- en zuiveringsprocedé dat verzoekster toepast, levert een product op waarvoor geen productnorm bestaat (beplantingsaarde). Bijgevolg moet het afvalbehandelingsprocedé dat de onderneming toepast worden ingedeeld als een biologische behandeling die aan de nuttige toepassing van afvalstoffen voorafgaat (procedécode R12o).  Verzoekster stelde op 01.12.2014 respectievelijk 20.07.2015 beroep in bij de bestuursrechter tot gedeeltelijke nietigverklaring van de besluiten van verweerder van 28.10.2014 en 19.06.2015, alsook tot verplichting van verweerder om de afvalstoffenvergunningen aan te passen of, subsidiair, nieuwe afvalstoffenvergunningen af te geven met als procedécode R3o, geldig voor de behandeling van het door verzoekster verwerkte zuiveringsslib (afvalstofcode 19 08 05). De bestuursrechter verwierp het beroep van verzoekster bij vonnis van 15.07.2016. Verzoekster heeft op 12.08.2016 hoger beroep tegen dit vonnis ingesteld bij de verwijzende rechter.

Overweging:

De verwijzende rechter wijst erop dat de uitlegging van artikel 6(4) van de afvalstoffenrichtlijn voor de onderhavige zaak in twee opzichten van belang is. In beide gevallen moet een antwoord worden gevonden op de vraag hoe het in artikel 6(4) van de afvalstoffenrichtlijn gehanteerde begrip “per geval” moet worden opgevat.

Prejudiciële vragen:

1. Moet artikel 6, lid 4, van richtlijn 2008/98/EG van het Europees Parlement en de Raad van 19 november 2008 betreffende afvalstoffen en tot intrekking van een aantal richtlijnen, aldus worden uitgelegd dat een nationale regeling met dit artikel verenigbaar is wanneer zij bepaalt dat bij ontstentenis van Unierechtelijk neergelegde criteria voor de einde-afvalfase van een specifieke afvalsoort, de einde-afvalfase afhankelijk is van het feit of bij een nationale handeling van algemene strekking criteria voor een specifieke afvalsoort zijn vastgesteld?

2. Kent artikel 6, lid 4, eerste volzin, van richtlijn 2008/98/EG van het Europees Parlement en de Raad van 19 november 2008 betreffende afvalstoffen en tot intrekking van een aantal richtlijnen, de houder van afvalstoffen het recht toe om bij ontstentenis van Unierechtelijk neergelegde criteria voor de eindeafvalfase van een specifieke afvalsoort, de bevoegde autoriteit of een rechterlijke instantie van een lidstaat te verzoeken om de einde-afvalfase in overeenstemming met de toepasselijke rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie vast te stellen, ongeacht of bij een nationale handeling van algemene strekking criteria voor een specifieke afvalsoort zijn vastgesteld?

Aangehaalde (recente) jurisprudentie: Lapin luonnonsuojelupiiri C-358/11;

Specifiek beleidsterrein: IenW