C-605/18

Prejudiciële hofzaak

Zie bijlage voor de verwijzingsuitspraak, en klik hier voor het dossier van het Hof van Justitie (voor zover beschikbaar).

Termijnen: Motivering departement:    27 november 2018
Schriftelijke opmerkingen:                    13 januari 2019

Trefwoorden: openbaar overnamebod; transparantievereisten;

Onderwerp:

-           Richtlijn 2004/109/EG van het Europees Parlement en de Raad van 15 december 2004 betreffende de transparantievereisten die gelden voor informatie over uitgevende instellingen waarvan effecten tot de handel op een gereglementeerde markt zijn toegelaten en tot wijziging van richtlijn 2001/34/EG, laatstelijk gewijzigd bij richtlijn 2013/50/EU van het Europees Parlement en de Raad (hierna: transparantierichtlijn);

-           Richtlijn 2004/25/EG van het Europees Parlement en de Raad van 21 april 2004 betreffende het openbaar overnamebod;


Feiten:

De verwijzende rechter dient in het hoofdgeding te beslissen over beroepen tegen strafbeschikkingen van de toezichthouder op de financiële markten (hierna: FMA). De bestreden strafbeschikkingen zijn gebaseerd op de overweging dat de verzoekende partijen inbreuk hebben gemaakt op de bepalingen van het BörseG 1989 (wet inzake effectenbeurs) inzake de bekendmaking van deelnemingen. De leden van de groep zijn opgetreden als in onderling overleg handelende rechtssubjecten in de zin van §1.6 ÜbG (wet op bedrijfsovernames). De stemrechten van deze partijen in de uitgevende instelling (Conwert Immobilien SE) hadden overeenkomstig §23.1 ÜbG voor het eerst op 29.09.2015 aan deze partijen wederzijds moeten worden toegerekend. Ten aanzien van de vraag of voldaan is aan het criterium van de “in onderling overleg handelende rechtssubjecten” in de zin van §1.6 ÜbG juncto §23(1) ÜbG acht de FMA zich gebonden aan een definitieve beschikking van de Oostenrijkse overnamecommissie (welke volledig los staat van de FMA). Vanwege deze bindende kracht mag de FMA naar eigen zeggen zelf niet meer onderzoeken of partijen hebben voldaan aan de objectieve bestanddelen van de door de FMA toegepaste strafbepaling, in elk geval voor zover het de vraag betreft of partijen zijn opgetreden als in onderling overleg handelende rechtssubjecten en hun een deelneming van meer dan 30% moet worden toegerekend. Voor nadere informatie over de procedure voor de overnamecommissie verwijst de verwijzende rechter naar de overwegingen in zijn verzoek om een prejudiciële beslissing in C-546/18.


Overweging:

De verwijzende rechter vraagt zich af of de harmoniserende bepalingen van de transparantierichtlijn een dergelijke “strengere” regeling in de Oostenrijkse wetgeving toestaan. De tweede prejudiciële vraag komt in beginsel overeen met de derde vraag in C-546/18, maar wijkt in de onderhavige procedure toch in twee opzichten daarvan af: 1) deze vraag wordt in de onderhavige procedure niet gesteld vanuit het perspectief en binnen de werkingssfeer van richtlijn 2004/25, maar uit het oogpunt en binnen de werkingssfeer van de transparantierichtlijn, en 2) in de onderhavige zaak rijst de vraag of het Unierecht met artikel 47 van het Handvest in de weg staat aan de bindende kracht van een niet-strafrechtelijke definitieve beschikking van de toezichthoudende autoriteit, binnen de werkingssfeer van richtlijn 2004/25, in een (administratieve) strafprocedure voor de overeenkomstig de transparantierichtlijn bevoegde autoriteit (FMA) voor het opleggen van strengere, maar toegestane vereisten overeenkomstig de transparantierichtlijn (wanneer sprake is van identiteit van partijen).


Prejudiciële vragen:

1. Moet artikel 3, lid 1 bis, vierde alinea, onder iii), van richtlijn 2004/109/EG van het Europees Parlement en de Raad van 15 december 2004 betreffende de transparantievereisten die gelden voor informatie over uitgevende instellingen waarvan effecten tot de handel op een gereglementeerde markt zijn toegelaten en tot wijziging van richtlijn 2001/34/EG, laatstelijk gewijzigd bij richtlijn 2013/50/EU van het Europees Parlement en de Raad, aldus worden uitgelegd dat „een aandeelhouder, een natuurlijke persoon of een juridische entiteit” „strengere vereisten” mogen worden opgelegd op voorwaarde dat op de „wettelijke en

bestuursrechtelijke bepalingen” die in strengere vereisten voor de bekendmaking van deelnemingen voorzien, „wordt toegezien” door een autoriteit die door de lidstaat is aangewezen overeenkomstig artikel 4 van richtlijn 2004/25/EG [...] betreffende het openbaar overnamebod, en dat dit toezicht de inachtneming van de strengere vereisten betreffende bekendmaking van deelnemingen in de zin van richtlijn 2004/109/EG omvat?

2. Staat artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie in de weg aan een nationale praktijk volgens welke een definitieve beschikking van de toezichthoudende autoriteit zoals bedoeld in artikel 4 van richtlijn 2004/25/EG, waarbij is vastgesteld dat een persoon inbreuk heeft gemaakt op nationale bepalingen ter omzetting van richtlijn 2004/25/EG, ook in het kader van een tegen dezelfde persoon aangespannen strafrechtelijke procedure wegens schending van daarmee verband houdende nationale regels ter omzetting van richtlijn 2004/109/EG (transparantierichtlijn) bindende kracht heeft, zodat die persoon wordt belet de reeds onherroepelijk vastgestelde inbreuk rechtens en feitelijk aan te vechten?


Aangehaalde (recente) jurisprudentie: 546/18 Adler Real Estate e.a.;

Specifiek beleidsterrein: JenV; FIN

Gerelateerde documenten