C-616/18 Cofidis

C-616/18 Cofidis

Prejudiciële hofzaak

Zie bijlage voor de verwijzingsuitspraak, en klik hier voor het dossier van het Hof van Justitie (voor zover beschikbaar).

Termijnen: Motivering departement:    26 november 2018

Schriftelijke opmerkingen:                    12 januari 2019

Trefwoorden: consumentenbescherming; kredietovereenkomst;

Onderwerp:

-           Richtlijn 2008/48/EG van het Europees Parlement en de Raad van 23 april 2008 inzake kredietovereenkomsten voor consumenten en tot intrekking van richtlijn 87/102/EEG van de Raad;


Feiten:

ZT en YU sloten een kredietconsolidatieovereenkomst met Cofidis voor een bedrag van €20.600,- tegen een vaste debetrentevoet van 10,86%, dat moest worden terugbetaald in 84 maandelijkse termijnen van €351,23. Op 29.03.2018 heeft  Cofidis de kredietnemers aangemaand het bedrag van €1.802,94 te voldoen wegens onbetaald gebleven termijnen. Cofidis heeft ZT en YU gedagvaard ter zitting van 21.06.2018 van de rechter in eerste aanleg om hen hoofdelijk te laten veroordelen tot betaling van een bedrag van €23.663,04, vermeerderd met rente tegen de conventionele rentevoet van 10,86% vanaf 29.03.2018, bovenop de €800,- op basis van artikel 700 van het Franse wetboek van burgerlijke rechtsvordering. ZT en YU hebben ter zitting om uitstel van betaling verzocht. De voorzitter heeft ter zitting de volgende middelen opgeworpen en partijen verzocht daarover een standpunt in te nemen: 1) Cofidis heeft niet voldaan aan de verplichting om een aanbod tot sluiting van de overeenkomst te doen dat duidelijke en leesbare gegevens bevat (in een voldoende groot lettertype), en 2) Cofidis heeft niet voldaan aan de verplichting om de kredietwaardigheid van de kredietnemers te controleren. Cofidis stelt dat de ambtshalve opgeworpen middelen zijn verjaard omdat zij door de rechter zijn aangevoerd na het verstrijken van de termijn van vijf jaar na de sluiting van de overeenkomst. Cofidis voert subsidiair aan dat zij de kredietwaardigheid van de kredietnemers heeft geverifieerd door het FICP (nationale bestand met de terugbetalingsincidenten) te raadplegen, een informatieformulier te laten invullen en bewijsstukken op te vragen waaruit de kredietwaardigheid blijkt. Zij wijst er ook op dat de regels betreffende de minimumgrootte van het lettertype zoals vastgelegd in de code de la consommation, geen aanleiding kunnen geven tot het verlies van het recht op rente. Meer subsidiair is zij van mening dat het in dat artikel genoemde “corps 8” niet gedefinieerd is.


Overweging:

De nationale bepalingen inzake verjaringstermijnen leiden ertoe dat de rechter en de consument de mogelijkheid wordt ontnomen om de kredietgever wezenlijke onregelmatigheden in verband met de kredietovereenkomst tegen te werpen wanneer een termijn van vijf jaar is verstreken. Een dergelijke beperking kan leiden tot een aanzienlijke verstoring van het evenwicht ten nadele van de consument, hetgeen in strijd is met de door de richtlijn nagestreefde doelstelling van bescherming. Deze beperking lijkt ook in strijd te zijn met de verplichting voor de lidstaten om alle nodige maatregelen te nemen om ervoor te zorgen dat de door hen vastgestelde sancties worden toegepast en doeltreffend, evenredig en afschrikkend zijn (artikel 23 van de richtlijn). Voor zover de verwijzende rechter weet, heeft het Hof zich nog niet eerder over de gestelde vraag uitgelaten.


Prejudiciële vragen:

Verzet de door richtlijn 2008/48/EG van het Europees Parlement en de Raad van 23 april 2008 inzake kredietovereenkomsten voor consumenten en tot intrekking van richtlijn 87/102/EEG van de Raad verzekerde consumentenbescherming zich tegen een nationale regelgeving die – in het kader van een vordering die door een verkoper is ingesteld tegen een consument en is gebaseerd op een tussen hen gesloten kredietovereenkomst – het de nationale rechter na het verstrijken van een verjaringstermijn van vijf jaar die ingaat op het moment dat de overeenkomst wordt gesloten, verbiedt om, ambtshalve of na een door de consument opgeworpen exceptie, een inbreuk vast te stellen op de in artikel 8 van de richtlijn neergelegde bepalingen inzake de verplichting om de kredietwaardigheid van de consument te beoordelen, op de in de artikelen 10 en volgende van de richtlijn opgenomen bepalingen betreffende de op duidelijke en beknopte wijze in de kredietovereenkomst te vermelden informatie, en meer in het algemeen op alle in die richtlijn neergelegde bepalingen inzake consumentenbescherming, en die inbreuk te bestraffen?


Aangehaalde (recente) jurisprudentie: C-473/00 Codifis SA/Fredout; C-429/05 Rampion e.a./Franfinance SA e.a.; C-377/14 Radlinger e.a./Finway a.s.; Pohotovosť C-76/10.

Specifiek beleidsterrein: EZK