C-629/18 Ryanair

C-629/18 Ryanair

Prejudiciële zaak

Zie bijlage voor de verwijzingsuitspraak, en klik hier voor het dossier van het Hof van Justitie (voor zover beschikbaar).

Termijnen: Motivering departement:    27 november 2018
Schriftelijke opmerkingen:                    13 januari 2019

Trefwoorden: compensatie luchtreizigers; bevoegdheid

Onderwerp:

-           Verordening (EG) nr. 261/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 11 februari 2004 tot vaststelling van gemeenschappelijke regels inzake compensatie en bijstand aan luchtreizigers bij instapweigering en annulering of langdurige vertraging van vluchten en tot intrekking van Verordening (EEG) nr. 295/91;

-           Verordening (EU) nr. 1215/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2012 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken;

-           Verordening (EG) nr. 44/2001 van de Raad van 22 december 2000 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken;

Feiten:

Bij de rechter in eerste aanleg is een procedure ingeleid tot toekenning van compensatie krachtens artikel 7(1)a) van verordening 261/2004 vanwege een vertraagde vlucht. Verzoekers zijn de Bulgaarse staatsburgers EN, FM en hun minderjarige kind, vertegenwoordigd door zijn wettelijke vertegenwoordiger FM. Verweerster is Ryanair Designated Activity Company (RYANAIR DAC), een vennootschap naar Iers recht. Verzoekers stellen dat zij tickets voor een vlucht van Sofia naar Rome hadden geboekt, maar dat deze vlucht met een vertraging van meer dan drie uur is uitgevoerd, op grond waarvan zij aanspraak maken op compensatie krachtens de verordening. Verweerster betwist de bevoegdheid van de Bulgaarse rechter onder verwijzing naar artikel 25 van verordening 1215/2012. Zij voert aan dat in de algemene voorwaarden die gelden voor de litigieuze overeenkomsten voor het vervoer van personen door de lucht een forumkeuze is gedaan, volgens welke de daarin aangewezen Ierse rechter bevoegd is.


Overweging:

De rechter in eerste aanleg heeft de exceptie van onbevoegdheid verworpen op grond van het arrest Rehder (C-204/08) waarin het Hof heeft geoordeeld dat in geval van een verzoeker die zijn verzoek baseert op verordening 261/2004, de bevoegdheidsregels van verordening 44/2001 gelden. In dit geval zijn zowel de plaats van vertrek als de plaats van aankomst van het vliegtuig te beschouwen als plaats waar de dienst wordt verstrekt in de zin van artikel 5(1)b) van verordening 44/2001 en kan de verzoeker zelf kiezen bij het gerecht van welk van deze plaatsen hij zijn verzoek indient. De rechter in eerste aanleg ging er voorts van uit dat de algemene voorwaarden waarop verweerster zich beroept, geen uitsluitende bevoegdheid verlenen, maar enkel dan gelden wanneer het toepasselijke recht die een regeling bevat die identiek is aan de genoemde bepalingen van verordening 44/2001, niets anders bepaalt. De rechter zette uiteen dat een beding in de algemene voorwaarden waarin zonder voorbehoud de Ierse gerechten als bevoegd worden aangewezen, oneerlijk is en niet aan verzoekers kan worden tegengeworpen. De rechter voor de stad Sofia stelt dat geschillen over de uitvoering van overeenkomsten voor het vervoer van personen door de lucht uitdrukkelijk zijn uitgesloten van de werkingssfeer van de bevoegdheid bij door consumenten gesloten overeenkomsten. Op grond van artikel 18(1) heeft de verzoeker niet het consumentenrecht om de zaak aan te brengen bij het gerecht van zijn woonplaats. Het is echter omstreden of, naast het volgens de algemene regels bevoegde gerecht en het gerecht dat bevoegd is volgens de bijzondere regels van de overeenkomst, uitdrukkelijk kan worden bedongen dat een gerecht in een andere staat bevoegd is. Geschillen over overeenkomsten voor het vervoer van personen door de lucht worden niet uitdrukkelijk uitgesloten van de werkingssfeer van de bepaling waarbij een bevoegd gerecht kan worden aangewezen. Dat volgt ook niet uit het genoemde arrest van het Hof in zaak C-204/08, waarin niet werd ingegaan op de vraag of de partijen mogen afwijken van de bepalingen van de verordening door een vóór het ontstaan van het geschil gesloten overeenkomst krachtens artikel 25. Als de formele voorschriften in verordening 1215/2012, die bepalen dat overeenkomsten tot aanwijzing van een bevoegd gerecht vóór het ontstaan van een geschil gesloten mogen worden, ook in algemene voorwaarden, naar de letter worden uitgelegd, zou daarnaast het hoge materiaalrechtelijke beschermingsniveau, welke in verordening 261/2004 in detail is geregeld, botsen met de formele voorschriften voor de verwezenlijking ervan in een voor de luchtreiziger ongunstige staat. Derhalve rijst de vraag of de afweging van de belangen van de luchtreiziger en van de luchtvaartmaatschappij wordt ondermijnd en of het voor het behoud van het evenwicht tussen de belangen noodzakelijk is dat de economisch zwakkere partij bij de verbintenis een aanvullende mogelijkheid heeft.


Prejudiciële vraag:

Is het verenigbaar met artikel 25 van verordening (EU) nr. 1215/2012 van het Europees Parlement en de Raad dat het bevoegde gerecht voor beroepen krachtens verordening (EG) nr. 261/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 11 februari 2004 tot vaststelling van gemeenschappelijke regels inzake compensatie en bijstand aan luchtreizigers bij instapweigering en annulering of langdurige vertraging van vluchten en tot intrekking van verordening (EEG) nr. 295/91 wordt aangewezen bij een overeenkomst die is gesloten voordat het geschil is ontstaan?


Aangehaalde (recente) jurisprudentie: C-204/08, Rehder; C-601/17, Harms;

Specifiek beleidsterrein: JenV; IenW