C-640/18 Wagram Invest

C-640/18 Wagram Invest

Prejudiciële hofzaak

Zie bijlage voor de verwijzingsuitspraak, en klik hier voor het dossier van het Hof van Justitie (voor zover beschikbaar).

Termijnen: Motivering departement:    06 december 2018
Schriftelijke opmerkingen:                    22 januari 2019

Trefwoorden: jaarrekening; vennootschappen;

Onderwerp:

-           Vierde richtlijn (78/660/EEG) van de Raad van 25 juli 1978 betreffende de jaarrekening van bepaalde vennootschapsvormen;


Feiten:

Bij overeenkomst van 10.01.1997 heeft de NV Wagram Invest van haar zaakvoerder aandelen van de NV Iena gekocht voor een bedrag van 24.000.000,- BEF (€594.944,45), betaalbaar in 16 semestraliteiten van 1.500.000 BEF. Bij een tweede overeenkomst van 10.03.1999 heeft Wagram Invest van haar zaakvoerder andere aandelen van Iena gekocht voor een bedrag van 31.760.400 BEF (€787 319,75), betaalbaar in 12 semestraliteiten van 2.646.700 BEF. Bij de afsluiting van het aanslagjaar 2000 heeft Wagram Invest 1.000.506 BEF voor de in 1997 verkregen aandelen en 969.833 BEF voor de in 1999 verkregen aandelen, in de boeken opgenomen. Bij de afsluiting van het aanslagjaar 2001 heeft Wagram Invest 843.090 BEF voor de in 1997 verkregen aandelen en 1.833.228 BEF voor de in 1999 verkregen aandelen, in de boeken opgenomen. De gebruikte discontovoet was de marktrentevoet (8%). Naar aanleiding van een controle heeft de belastingadministratie geoordeeld dat zij de discontokosten die in de boeken waren opgenomen en waren afgetrokken voor de aanslagjaren 2000 en 2001 moest verwerpen, en heeft zij de belastingplichtige op 28.10.2002 een belastingbeslissing gestuurd. Op basis daarvan heeft de belastingadministratie ten laste van Wagram Invest twee aanvullende bijdragen aan de vennootschapsbelasting ten laste gebracht. Wagram Invest diende op 18.02.2003 een klacht in, waarover geen uitspraak is gedaan binnen de termijn van zes maanden. Wagram Invest heeft bij contradictoir verzoekschrift (10.03.2005) bij de rechter in eerste aanleg beroep in rechte ingesteld. De rechter in eerste aanleg heeft het verzoek ontvankelijk verklaard en heeft, alvorens uitspraak ten gronde te doen, de partijen uitgenodigd de boeking van de litigieuze verrichtingen voor de aanslagjaren 1998 tot en met 2001 te herzien. Partijen hebben vervolgens gezamenlijk geoordeeld dat het enige fiscale geschilpunt betrekking had op de toepassing van artikel 198§1 7° van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen 1992 (WIB 92). Bij vonnis van 20.12.2007 heeft de rechter in eerste aanleg de litigieuze bijdragen voor de aanslagjaren 2000 en 2001 bevestigd. Bij arrest van 14.10.2011 heeft de appelrechter vervolgens het vonnis bevestigd. Wagram Invest stelde beroep in cassatie in, waarop het Hof van Cassatie bij arrest van 11.03.2016 het bestreden arrest nietig heeft verklaard en de zaak naar de verwijzende rechter verwezen.


Overweging:

Gezien de uiteenlopende interpretaties van de bepalingen van de richtlijn door partijen acht de verwijzende rechter het voor de beslechting van het onderhavige geding nodig het Hof prejudiciële vragen te stellen.


Prejudiciële vragen:

1. Rechtvaardigt het begrip ‚getrouw beeld’ als bedoeld in artikel 2, lid 3, van de Vierde richtlijn (78/660/EEG) van de Raad van 25 juli 1978 betreffende de jaarrekening van bepaalde vennootschapsvormen dat, bij de aankoop van een financieel actief door een naamloze vennootschap, een disconto ten laste in de resultatenrekening wordt geboekt in verband met een renteloze schuld met een looptijd van meer dan een jaar, en dat de aanschaffingsprijs van het actief wordt geboekt op de actiefzijde van de balans na aftrek van het disconto, gelet op de waarderingsprincipes zoals vermeld in artikel 32 van die richtlijn?

2. Moet de formulering ‚in uitzonderingsgevallen’, die een voorwaarde is voor de toepassing van artikel 2, lid 5, van de richtlijn van de Raad van 25 juli 1978 op de grondslag van artikel 54, lid 3, onder g), van het Verdrag [EEG, nu artikel 50, lid 2, onder g), VWEU] betreffende de jaarrekening van bepaalde vennootschapsvormen, en op basis waarvan een (andere) bepaling van die richtlijn buiten toepassing kan worden gelaten, in die zin worden uitgelegd dat die bepaling slechts kan worden toegepast indien wordt vastgesteld dat de inachtneming van het beginsel van het getrouwe beeld niet kan worden bereikt door de naleving van de bepalingen van die richtlijn, in voorkomend geval met aanvullende inlichtingen in de toelichting overeenkomstig artikel 2, lid 4, van die richtlijn?

3. Moet voorrang worden gegeven aan de toepassing van artikel 2, lid 4, van die richtlijn, zodat enkel gebruik kan worden gemaakt van de in artikel 2, lid 5, genoemde mogelijkheid een bepaling van de richtlijn buiten toepassing te laten indien aanvullende inlichtingen niet volstaan voor een effectieve toepassing van het in artikel 2, lid 3, van de richtlijn genoemde beginsel van het getrouwe beeld, en dat enkel in uitzonderingsgevallen?


Aangehaalde (recente) jurisprudentie: GIMLE C-322/12;

Specifiek beleidsterrein: FIN