C-647/18 Corporate Commercial Bank, en liquidation

C-647/18 Corporate Commercial Bank, en liquidation

Prejudiciële hofzaak

Zie bijlage voor de verwijzingsuitspraak, en klik hier voor het dossier van het Hof van Justitie (voor zover beschikbaar).

Termijnen: Motivering departement:    05 december 2018
Schriftelijke opmerkingen:                    21 januari 2019

Trefwoorden: rechtsstaat; terugwerkende kracht; insolventie

Onderwerp:

-           Artikel 2 van het Verdrag betreffende de Europese Unie;

-           Artikel 67(1) van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie;

-           Artikel 17(1), artikel 20 en artikel 47(2) van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie;

-           Verordening (EU) 2015/848 van het Europees Parlement en de Raad van 20 mei 2015 betreffende insolventieprocedures;

-           Richtlijn 2014/59/ЕU van het Europees Parlement en de Raad van 15 mei 2014 betreffende de totstandbrenging van een kader voor het herstel en de afwikkeling van kredietinstellingen en beleggingsondernemingen en tot wijziging van richtlijn 82/891/EEG van de Raad en de richtlijnen 2001/24/EG, 2002/47/EG, 2004/25/EG, 2005/56/EG, 2007/36/EG, 2011/35/EU, 2012/30/EU en 2013/36/EU en de verordeningen (EU) nr. 1093/2010 en (EU) nr. 648/2012, van het Europees Parlement en de Raad;

-           Mededeling van de Europese Commissie aan het Europees Parlement en de Raad van 11 maart 2014 met als titel „Een nieuw EU-kader voor het versterken van de rechtsstaat”;


Feiten:

In juni 2014 ontstond binnen KTB “bankenpaniek”, waarbij de deposanten massaal hun deposito’s begonnen op te nemen. Daardoor heeft de Bulgaarse nationale bank (hierna: BNB) KTB bij besluit van 20.06.2014 onder bijzonder toezicht gesteld omdat de insolventie van KTB dreigde. Er werden zogenoemde quaestoren benoemd en alle soorten banktransacties werden stopgezet. Bij besluit van 15.08.2014 verleende de BNB aan de quaestoren van KTB toestemming om betalingstransacties te verrichten met het oog op de terugbetaling van kredieten. Hierdoor begonnen tientallen kredietnemers van de bank vorderingen van deposanten op te kopen (met een korting op de nominale waarde van de vorderingen). Deze gekochte vorderingen verrekenden zij vervolgens met hun verbintenissen uit kredietovereenkomsten met KTB. Volgens het toen geldende Bulgaarse recht waren deze rechtshandelingen geldig. Sterker nog, de BNB had de quaestoren geinstrueerd om bij een volledige terugbetaling van een door KTB verstrekt krediet, de zekerheidsrechten van dat krediet door te halen (ook als het door verrekening was terugbetaald). Op 06.11.2014 heeft de BNB de banklicentie van KTB ingetrokken vanwege diens insolventie. Enkele weken later, op 28.11.2014, trad de ZIDZBN (Bulgaarse wet tot wijziging en vervollediging van de wet betreffende de insolventie van banken) in werking. Hierdoor wijzigden voorwaarden waardoor verrekeningen door insolvente banken ongeldig kunnen worden verklaard. De appelrechter oordeelde, anders dan de rechter in eerste aanleg, dat de begindatum van de isolventie 20.06.2014 was (omdat het eigen vermogen van KTB toen al ontoereikend was). De curatoren van KTB verzochten de rechter om de verrekeningen relatief ongeldig te verklaren. Voordat de procedures in laatste aanleg definitief werden beëindigd, heeft de nationale wetgever de ZBN nogmaals gewijzigd. Bij deze wijziging werd uitdrukkelijk bepaald dat de wijziging van de regeling van 28.11.2014 terugwerkende kracht heeft. KTB stelt dat zij schuldeiser van Elit Petrol is omdat de door zekerheden gedekte vorderingen zijn “herleefd” (vanwege de terugwerkende kracht) waardoor de doorhaling van de zekerheidsrechten nietig is. Ook zou moeten worden aangenomen dat de ten behoeve van KTB gevestigde zekerheidsrechten nog steeds bestaan en dezelfde rang hebben als voorheen. De curatoren van KTB zijn bovendien van mening dat de §§7 en 8 van de ZIDZBN met terugwerkende kracht de voorwaarden voor een geldige verrekening door Elit Petrol wijzigen, waardoor de vorderingen niet door verrekening zijn voldaan. De insolvente schuldenaar Elit Petrol betwist dat KTB in de insolventieprocedure schuldeiser is. Elit Petrol stelt dat de verrekeningen geldig waren volgens het recht dat van toepassing. Elit Petrol is van mening dat de bepalingen van de ZIDZBN – die de doorgehaalde zekerheidsrechten van KTB met terugwerkende kracht hebben doen “herleven” en die eveneens met terugwerkende kracht de voorwaarden voor de geldige verrekening met de door KTB ingediende vorderingen hebben gewijzigd – in strijd zijn met Unierechtelijke bepalingen en beginselen.


Overweging:

De verwijzende rechter is van mening dat de toe te passen nationale voorschriften van de ZIDZBN in strijd zijn met het Unierecht. Het bezwaar van KTB heeft enkele principiële vragen over het Unierecht doen rijzen die nopen tot een uitlegging van artikel 2 VEU, in het bijzonder de daarin als waarde van de

EU verankerde “rechtsstaat” en de algemene beginselen. Mocht het Hof tot de slotsom komen dat de Unierechtelijke bepalingen zich verzetten tegen de toepassing van nationale voorschriften waarbij met terugwerkende kracht wordt voorzien in een nieuwe regeling van de rechtsgevolgen van feiten die zich reeds hebben voorgedaan alsook van rechten en verbintenissen die reeds zijn tenietgegaan, zal de verwijzende rechter immers weigeren die voorschriften toe te passen. In dat geval zal de rechter beslissen dat KTB niet krachtens de wet kan worden aangemerkt als een schuldeiser met zekerheidsrechten, en dat haar vorderingen in de insolventieprocedure niet voorwaardelijk hoeven worden vastgesteld.


Prejudiciële vragen:

1. i) Moet de door artikel 2 VEU beschermde waarde „rechtsstaat” aldus worden uitgelegd dat de nationale wetgever bij de vaststelling van rechtsvoorschriften in een lidstaat verplicht is om zich te richten naar de rechtsbeginselen en criteria die de „rechtsstaat” kenmerken, welke zijn ontwikkeld in de rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie en in de mededeling van de Europese Commissie aan het Europees Parlement en de Raad van 11 maart 2014 met als titel „Een nieuw EU-kader voor het versterken van de rechtsstaat”?

ii) Moeten de in artikel 2 EU verankerde waarde „rechtsstaat” en de algemene beginselen daarvan – rechtmatigheid, rechtszekerheid, onafhankelijke en doeltreffende rechterlijke toetsing, ook ten aanzien van de eerbiediging van de grondrechten en de gelijkheid voor de wet – aldus worden uitgelegd dat zij zich verzetten tegen de vaststelling van een nationaal voorschrift zoals § 5 van de overgangs- en slotbepalingen van de Zakon za izmenenie i dopalnenie na Zakona za bankovata nesastoyatelnost (Bulgaarse wet tot wijziging en vervollediging van de wet betreffende de insolventie van banken; hierna: „ZIDZBN”), waarbij op uitzonderlijke wijze is voorzien in een nieuwe regeling van de sociale verhoudingen die verbonden zijn met de inschrijving van zekerheidsrechten in de openbare registers ten behoeve van een concreet privaatrechtelijk rechtssubject? In het concrete geval worden de in de registers ingeschreven doorhalingen van zekerheidsrechten die ten behoeve van de insolvente KTB AD zijn gevestigd, bij het nationale voorschrift met terugwerkende kracht nietig verklaard, en creëert dit voorschrift rechtsonzekerheid omdat daarin is bepaald dat de insolvente KTB AD zich jegens derden van rechtswege kan beroepen op de zekerheidsrechten die geacht worden te zijn doorgehaald, ook al zijn de verbintenissen waarvoor de zekerheidsrechten waren gevestigd, reeds nagekomen.

iii) De rechter wenst een uitlegging met betrekking tot de vraag of hij zich rechtstreeks mag baseren op artikel 2 VEU en dit artikel rechtstreeks mag toepassen wanneer hij vaststelt dat de wijze waarop het nationale voorschrift van § 5 van de overgangs- en slotbepalingen van de ZIDZBN de rechtsgevolgen van

inschrijvingen van zekerheidsrechten in de openbare registers ten behoeve van de insolvente KTB AD met terugwerkende kracht opnieuw regelt, de waarde „rechtsstaat” en de bovengenoemde algemene beginselen daarvan schendt?

iv) Welke criteria en voorwaarden moet de nationale rechter toepassen wanneer hij toetst of de waarde „rechtsstaat” in de zin van artikel 2 VEU niet in de weg staat aan de vaststelling van een nationaal voorschrift als § 5 van de overgangs- en slotbepalingen van de ZIDZBN?

v) Moet artikel 67, lid 1, VWEU, volgens hetwelk de Unie een ruimte van vrijheid, veiligheid en recht is waarin de grondrechten en de verschillende rechtsstelsels en -tradities van de lidstaten worden geëerbiedigd, aldus worden uitgelegd dat die bepaling zich verzet tegen nationale voorschriften die leiden tot onzekerheid in het civiele en handelsverkeer of vooruitlopen op de uitkomst van aanhangige rechtszaken?

2. i) De rechter wenst te vernemen of de toe te passen bepalingen van artikel 7, lid 2, onder h), en artikel 8 van verordening (EU) 2015/848 van het Europees Parlement en de Raad van 20 mei 2015 betreffende insolventieprocedures juncto artikel 2 VEU stelselmatig in verband met de grondrechten als bedoeld in artikel 17, lid 1, artikel 20 en artikel 47, lid 2, van het Handvest kunnen worden uitgelegd.

ii) Als de genoemde bepalingen van het Unierecht moeten worden uitgelegd in verband met de rechten van het Handvest, is het dan toelaatbaar dat deze rechten worden toegepast in een insolventieprocedure in een lidstaat en moet de in die rechten verankerde bescherming dan aldus worden uitgelegd dat deze zich verzet tegen een nationaal rechtsvoorschrift waarbij de sociale verhoudingen op uitzonderlijke wijze en met terugwerkende kracht opnieuw worden geregeld ten behoeve van een door de wetgever concreet genoemde schuldeiser?

iii) Wanneer artikel 7, lid 2, onder h), en artikel 8 van verordening (EU) 2015/848 van het Europees Parlement en de Raad van 20 mei 2015 betreffende insolventieprocedures worden uitgelegd in verband met de rechten die voortvloeien uit artikel 17, lid 1, artikel 20 en artikel 47, lid 2, van het Handvest, staan die bepalingen dan in de weg aan de toepassing van een nationale rechtsnorm waarbij de in de registers ingeschreven doorhalingen van de zekerheidsrechten van KTB AD met terugwerkende kracht nietig worden verklaard en de ten behoeve van de insolvente KTB AD „herlevende” zekerheidsrechten van rechtswege jegens derden geldig worden verklaard, waardoor de rechten van de andere schuldeisers worden geschonden en de volgorde van voldoening van de vorderingen in de insolventieprocedure wordt gewijzigd?

iv) Kan artikel 7, lid 2, onder h), van verordening (EU) 2015/848 van het Europees Parlement en de Raad van 20 mei 2015 betreffende insolventieprocedures in verband met de rechten die voortvloeien uit artikel 17, lid 1, artikel 20 en artikel 47, lid 2, van het Handvest aldus worden uitgelegd dat die bepaling aan de voorwaardelijke vaststelling van vorderingen van een door de wetgever concreet genoemde schuldeiser (KTB AD) in een insolventieprocedure in de weg staat wanneer de vorderingen van deze schuldeiser bij de indiening ervan volledig zijn tenietgegaan door verrekening en er over de betwisting van de verrekening rechtszaken aanhangig zijn die nog niet zijn beëindigd? Als de voorwaarde waaronder de schuldeiser zijn vorderingen bij insolventie indient, inhoudt dat de nationale rechter de verrekeningen waardoor de vorderingen zijn tenietgegaan, ongeldig verklaart, laat het recht op een eerlijk proces als bedoeld in artikel 47, lid 2, van het Handvest dan een nationaal rechtsvoorschrift toe dat met terugwerkende kracht de voorwaarden voor een geldige verrekening wijzigt en daardoor vooruitloopt op de uitkomst van de aanhangige rechtszaken over de betwisting van de verrekening respectievelijk over de vaststelling van de vordering in de insolventieprocedure?

v) De rechter heeft behoefte aan een aanwijzing of hij zich rechtstreeks mag baseren op artikel 7, lid 2, onder h), en artikel 8 van verordening (EU) 2015/848 van het Europees Parlement en de Raad van 20 mei 2015 betreffende insolventieprocedures juncto artikel 17, lid 1, artikel 20 en artikel 47, lid 2, van het Handvest en of hij deze bepalingen rechtstreeks mag toepassen wanneer hij vaststelt dat de nationale rechtsvoorschriften die de grondslag vormen van de voorwaardelijke vaststelling van de vordering van KTB AD en/of die met zich meebrengen dat de voorwaarde wordt vervuld waaronder de vordering wordt

ingediend, in strijd zijn met Unierechtelijke bepalingen.

3. Moet artikel 77 van richtlijn 2014/59/EU aldus worden uitgelegd dat het in de weg staat aan de toepassing van een nationale wet die met terugwerkende kracht wijzigingen aanbrengt in de voorwaarden voor de verrekening van wederzijdse vorderingen en verbintenissen met een kredietinstelling waarvoor een herstel- of afwikkelingsprocedure loopt, en die daardoor vooruitloopt op de uitkomst van aanhangige rechtszaken over de betwisting van de verrekeningen die aan de kredietinstelling worden tegengeworpen?


Aangehaalde (recente) jurisprudentie: Abdallah С-144/11; Andre С-23/15; Abdel C-75/12; Grimai C-550/13; Safe Interenvíos С-235/14.

Specifiek beleidsterrein: JenV