C-653/18 Unitel

C-653/18 Unitel

Prejudiciële hofzaak

Zie bijlage voor de verwijzingsuitspraak, en klik hier voor het dossier van het Hof van Justitie (voor zover beschikbaar).

Termijnen: Motivering departement:    07 december 2018

Schriftelijke opmerkingen:                    23 januari 2019

Trefwoorden: btw; fiscaal

Onderwerp:

-           Richtlijn 2006/112/EG van de Raad van 28 november 2006 betreffende het gemeenschappelijke stelsel van belasting over de toegevoegde waarde;


Feiten:

Verzoekster (Unitel) heeft zich in de periode van januari t/m mei 2007 beziggehouden met de verkoop van mobiele telefoons. Naar aanleiding van een belastingcontrole, zijn vragen gerezen over het btw-bedrag dat verschuldigd zou zijn over de handelingen die verzoekster had verricht met de Oekraïense ondernemingen A. (AJVA O.O.O.) en M.G. (Michail Gavriliv). Uit het onderzoek van de documenten van verzoekster (btw-facturen en ED-documenten) is gebleken dat de mobiele telefoons weliswaar zijn uitgevoerd naar een plaats buiten de EU, maar dat verzoekster deze niet aan bovengenoemde contractanten heeft geleverd, zodat er in het onderhavige geval geen uitvoer van goederen in de zin van artikel 2(8) van de btw-wet heeft plaatsgevonden en verzoekster dus niet gerechtigd was om overeenkomstig artikel 41(4) van de btw-wet een btw-tarief van 0% toe te passen. De directeur van de belastingkamer te Warschau heeft bij besluit van 29.08.2014 het besluit van de directeur van het belastingcontrolekantoor te Warschau van 26.03.2014 gehandhaafd waarmee de te betalen btw voor de activiteiten van Unitel is vastgesteld voor de maanden januari t/m mei 2007. Met het beroep dat zij heeft ingesteld bij de bestuursrechter in eerste aanleg (hierna: WSA), heeft verzoekster onder meer verzocht om nietigverklaring van het bestreden besluit en van het besluit van de autoriteit van eerste aanleg. De WSA zag geen reden tot toewijzing van het beroep. Unitel heeft tegen deze beslissing in haar geheel beroep ingesteld bij de verwijzende rechter met verzoek de bestreden beslissing te vernietigen en in voorkomend geval het Hof een prejudiciële vraag te stellen.


Overweging:

Met zijn eerste twee prejudiciële vragen wenst de verwijzende rechter te vernemen wat in artikel 146(1)a)b) van de btw-richtlijn wordt verstaan onder “levering”. Deze bepalingen, die de vrijstelling voor uitvoer van goederen vastleggen, hanteren het begrip uitvoer van goederen namelijk niet. Dit begrip wordt evenmin gebruikt in andere bepalingen van de richtlijn. Verder wenst de verwijzende rechter te vernemen of een nationale praktijk erin mag bestaan dat de belastingautoriteiten de aanspraak van een belastingplichtige op een vrijstelling met recht op aftrek van voorbelasting (in Polen het nultarief) betwisten op grond van het feit dat niet kon worden vastgesteld dat er een goederenlevering heeft plaatsgevonden in die zin dat het recht om als een eigenaar over een lichamelijke zaak te beschikken is overgedragen in de zin van artikel 14(1) van de btw-richtlijn (aangezien de ontvanger van de goederen niet kon worden geïdentificeerd) en zij de transactie bijgevolg als een binnenlandse levering belasten (tegen een tarief van 23%).


Prejudiciële vragen:

1. Moet – in het licht van artikel 146, lid 1, onder a) en b), en artikel 131 van richtlijn 2006/112/EG van de Raad van 28 november 2006 betreffende het gemeenschappelijke stelsel van belasting over de toegevoegde waarde (PB 2006, L 347, blz. 1, zoals gewijzigd; hierna „richtlijn 2006/112/EG”) en van de beginselen van de belasting van het verbruik, neutraliteit en evenredigheid – de juiste nationale praktijk erin bestaan dat er een belastingvrijstelling met recht op aftrek van voorbelasting (in Polen het nultarief) wordt toegepast telkens wanneer cumulatief is voldaan aan de volgende twee voorwaarden:

a) er zijn goederen uitgevoerd naar een niet-geïdentificeerde afnemer die gevestigd is buiten de Europese Unie, en

b) er zijn duidelijke bewijzen dat de goederen het grondgebied van de Unie hebben verlaten, zonder dat deze omstandigheid wordt betwist?

2. Verzetten de bepalingen van artikel 146, lid 1, onder a) en b), en artikel 131 van richtlijn 2006/112/EG en de beginselen van de belasting van het verbruik, neutraliteit en evenredigheid zich tegen een nationale praktijk volgens welke er geen sprake is van een levering van goederen indien deze ontegenzeglijk zijn uitgevoerd naar een plaats buiten de Europese Unie maar de nationale belastingautoriteiten na de uitvoer in de loop van een procedure hebben vastgesteld dat de daadwerkelijke ontvanger niet overeenstemt met

de ontvanger die vermeld staat op de factuur die door de belastingplichtige voor de betrokken levering is uitgereikt en de goederen zijn geleverd aan een andere partij die door de autoriteiten niet kon worden geïdentificeerd, met als gevolg dat zij weigeren om een dergelijke vrijstelling met recht op aftrek van voorbelasting (in Polen het nultarief) op deze handeling toe te passen?

3. Moet – in het licht van artikel 146, lid 1, onder a) en b), en artikel 131 van richtlijn 2006/112/EG en van de beginselen van verbruiksbelasting, neutraliteit en evenredigheid – de juiste nationale praktijk erin bestaan dat op een goederenlevering het nationale tarief wordt toegepast indien er duidelijk bewijs bestaat voor het feit dat de goederen het grondgebied van de Europese Unie hebben verlaten maar de autoriteiten van mening zijn dat, aangezien de afnemer niet kon worden geïdentificeerd, er geen levering van goederen heeft plaatsgevonden, of moet in dit geval worden aangenomen dat er helemaal geen belastbare handeling heeft plaatsgevonden en dat de belastingplichtige in overeenstemming met artikel 168 van richtlijn 2006/112/EG geen recht heeft op aftrek van de voorbelasting over de verwerving van de uitgevoerde goederen?


Aangehaalde (recente) jurisprudentie: Maya Marinova ET C-576/15; Optigen e.a. C-354/03, C-355/03 en C-484/03;

Kittel en Recolta Recycling C-439/04 en C-440/04; BDV Hungary Trading Kft. C-563/12; Albert Collée C-146/05; Gabalfrisa e.a. C-110/98–C-147/98, Transport Service C-395/02; Schmeink & Cofreth en Strobel C-454/98; Halifax e.a. C-255/02; Schoenimport C-131/13, C-163/13 en C-164/13; Kittel en Recolta Recycling C-439/04 en C-440/04; Mahagében en Dávid C-80/11 en C-142/11; Fini H C-32/03.

Specifiek beleidsterrein: FIN-fiscaal