C-655/18 Schenker

C-655/18 Schenker

Prejudiciële hofzaak

Zie bijlage voor de verwijzingsuitspraak, en klik hier voor het dossier van het Hof van Justitie (voor zover beschikbaar).

Termijnen: Motivering departement:    11 december 2018

Schriftelijke opmerkingen:                    27 januari 2019

Trefwoorden: douane; diefstal;

Onderwerp:

-           Verordening (EU) nr. 952/2013 van het Europees Parlement en van de Raad van 9 oktober 2013 tot vaststelling van het douanewetboek van de Unie;

-           Richtlijn 2006/112/EG van de Raad van 28 november 2006 betreffende het gemeenschappelijke stelsel van belasting over de toegevoegde waarde;

-           Verordening (EEG) nr. 2913/92 van de Raad van 12 oktober 1992 tot vaststelling van het communautair douanewetboek, zoals gewijzigd bij verordening (EG) nr. 1791/2006 van de Raad van 20 november 2006;

 

Feiten:

Op 16.03.2017 heeft het bedrijf Teld Consulting OOD Varna enkele goederen aangegeven voor het stelsel van douane-entrepots waaronder 18 kisten (stukgoederen) van waterbestendig bouwtriplex. Na afhandeling van de douaneformaliteiten voor het stelsel van douane-entrepots is een deel van de containers met het triplex naar een douane-entrepot gebracht, dat door Schenker wordt gebruikt en beheerd. De resterende containers zouden door het transportbedrijf Fortis Trade OOD vanaf de haven Varna-West worden weggevoerd. Op 19.03.2017 werd vastgesteld dat een van de voertuigen op 18.03.2017 om 14.53 uur door een onbekende is weggereden (met de onderhavige container). Als gevolg van de diefstal zijn de goederen niet in de boekhouding van Schenker vastgelegd. De 3e district van het regionaal directoraat Varna van het Ministerie van Binnenlandse Zaken heeft op 22.03.2017 Schenker schriftelijk bevestigd dat een opsporingsonderzoek was ingesteld. Hierna heeft de douane-inspecteur een beschikking uitgevaardigd houdende vaststelling van een bestuursrechtelijke overtreding als bedoeld in artikel 234a(1) ZM die Schenker zou hebben begaan doordat deze – op 22.03.2017 – de 18 stukgoederen die in het stelsel van douane-entrepots waren aangemeld, aan dat stelsel zou hebben onttrokken. Op grond daarvan heeft het hoofd van het douanekantoor aan Schenker de volgende sancties opgelegd: i) een bestuurlijke sanctie, “financiële sanctie”, ter hoogte van 23.826,06 BGN en ii) betaling van de waarde van het ontbrekende voorwerp van de overtreding, namelijk 18 stukgoederen met waterbestendig bouwtriplex. Tegen deze boetebeschikking heeft Schenker beroep ingesteld bij de Rayonen sad Varna. De rechtbank heeft de boetebeschikking vernietigd. De Mitnitsa Varna komt op tegen het vonnis van de Rayonen sad Varna op grond dat deze beslissing in strijd is met materieel recht. Zij is van oordeel dat er geen sprake is van wezenlijke procedurele fouten in de procedure betreffende de inbreuk. Zij beroept zich op C-273/12, en betoogt dat diefstal geen overmacht oplevert op grond waarvan de verantwoordelijkheid van de entrepothouder kan worden uitgesloten. Schenker stelt dat de Rayonen sad Varna terecht heeft vastgesteld dat er sprake is van procedurele fouten in de procedure betreffende de overtreding. Wat de toepassing van het materiële recht betreft, stelt zij dat de voorwaarden voor de verantwoordelijkheid van het bedrijf met betrekking tot de overtreding niet zijn vervuld.

 

Overweging:

In het onderhavige geval heeft de douaneautoriteit de betrokken onderneming twee bestuurlijke sancties opgelegd, enerzijds een financiële sanctie ter hoogte van 23.826,06 leva en anderzijds de betaling van de tegenwaarde van het ontbrekende voorwerp van de overtreding ter hoogte van 23.826,06 leva. Het opleggen van de betaling van de tegenwaarde van de onttrokken goederen komt hier noch in de ene vorm noch in de andere vorm overeen met de in artikel 42(2) van verordening 952/2013 bedoelde sancties. Het gaat hierbij ook niet om een confiscatie. Dit leidt tot de conclusie dat er sprake is van een strijdigheid tussen nationale voorschriften en artikel 42(2) van de  verordening. Bovendien is het de vraag of in een dergelijk geval de betaling van de tegenwaarde van de ontbrekende goederen die naast de financiële sanctie wordt gelast, verenigbaar is met de criteria van doeltreffendheid en evenredigheid.

 

Prejudiciële vragen:

1. Moet artikel 242, lid 1, onder a) en b), van verordening (EU) nr. 952/2013 van het Europees Parlement en van de Raad van 9 oktober 2013 tot vaststelling van het douanewetboek van de Unie, aldus worden uitgelegd dat diefstal van onder het stelsel van douane-entrepots geplaatste goederen, in de specifieke omstandigheden van het hoofdgeding, een onttrekking van deze goederen in de zin van die bepaling vormt die tot oplegging van een financiële sanctie aan de vergunninghouder wegens een douanerechtelijke overtreding leidt?

2. Heeft oplegging van betaling van de tegenwaarde van de goederen die het voorwerp zijn van de douane-overtreding – in dit geval de onttrekking ervan uit het stelsel van douane-entrepots – het karakter van een bestuurlijke sanctie in de zin van artikel 42, leden 1 en 2, van verordening (EU) nr. 952/2013 van het Europees Parlement en van de Raad van 9 oktober 2013 tot vaststelling van het douanewetboek van de Unie, en is een nationaal voorschrift dat voorziet in een dergelijke betaling, bovenop oplegging  van een financiële sanctie, geoorloofd? Is deze regeling verenigbaar met de in artikel 42, lid 1, tweede zin, van de verordening opgelegde criteria van effectiviteit, proportionaliteit en het afschrikkende effect van de sancties die worden gesteld op niet-naleving van de douanerechtelijke voorschriften van de Unie?

 

Aangehaalde (recente) jurisprudentie: Harry Winston C-273/12;

Specifiek beleidsterrein: FIN-fiscaal; JenV