C-659/18 VW

C-659/18 VW

Prejudiciële hofzaak

Zie bijlage voor de verwijzingsuitspraak, en klik hier voor het dossier van het Hof van Justitie (voor zover beschikbaar).

Termijnen: Motivering departement:    21 december 2018
Schriftelijke opmerkingen:                    07 februari 2019

Trefwoorden: strafrecht; recht op een advocaat, vertraging

Onderwerp:

-           Richtlijn 2010/64/EU van het Europees Parlement en de Raad van 20 oktober 2010 betreffende het recht op vertolking en vertaling in strafprocedures;

-           Richtlijn 2012/13/EU van het Europees Parlement en de Raad van 22 mei 2012 betreffende het recht op informatie in strafprocedures;

-           Richtlijn 2013/48/EU van het Europees Parlement en de Raad van 22 oktober 2013 betreffende het recht op toegang tot een advocaat in strafprocedures en in procedures ter uitvoering van een Europees aanhoudingsbevel en het recht om een derde op de hoogte te laten brengen vanaf de vrijheidsbeneming en om met derden en consulaire autoriteiten te communiceren tijdens de vrijheidsbeneming;

-           Richtlijn 2016/343/EU van het Europees Parlement en de Raad van 9 maart 2016 betreffende de versterking van bepaalde aspecten van het vermoeden van onschuld en van het recht om in strafprocedures bij de terechtzitting aanwezig te zijn;

-           Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, artikel 47 en artikel 48, lid 2.


Feiten:

Een verdachte in Spanje is opgepakt door de Spaanse politie op verdenking van strafbare feiten tegen de verkeersveiligheid in verband met het besturen van een voertuig zonder rijbewijs en op verdenking van het strafbare feit van valsheid in geschrifte met betrekking tot openbare akten. De verdachte had een Albanees rijbewijs getoond aan de politie toen hij werd opgepakt. Dit rijbewijs is later in een deskundigenverslag als ‘vals’ gekwalificeerd. Aan de verdachte werd een (pro-Deo) advocaat toegewezen, echter het dagvaarden van de verdachte was niet mogelijk aangezien de verblijfplaats van de verdachte niet bekend was. Uiteindelijk is ten aanzien van de verdachte een bevel tot opsporing, aanhouding en terbeschikkingstelling van de gerechtelijke autoriteiten uitgevaardigd. Dit bevel is nog steeds niet uitgevoerd. Verdachte heeft later een andere advocate aangesteld, met “toestemming” van de vroegere ambtshalve toegewezen pro-Deo advocate. Deze advocate heeft medegedeeld dat zij namens VW optrad in de procedures en heeft verzocht dat zij op de hoogte zou worden gehouden van de toekomstige onderzoekshandelingen. De advocate verzoekt voorts om het aanhoudingsbevel op te heffen en verklaart dat haar cliënt vrijwillig voor de rechter zal verschijnen.


Overweging:

De verwijzende rechter overweegt dat het uitstel bij het verlenen van toegang tot een advocaat niet is gerechtvaardigd wanneer de verdachte verstek laat gaan. De advocaat die erachter komt dat er een rechtszaak is aangespannen tegen zijn cliënt kan namens zijn cliënt verschijnen in de procedure, kennisnemen van het dossier en naar eigen goeddunken rechtsmiddelen instellen. Dit is ook het geval indien zijn cliënt geen gevolg heeft gegeven aan de eerste oproep van de rechter en een onbekende verblijfplaats heeft.



Prejudiciële vraag:

Dient artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie en in het bijzonder artikel 3, lid 2, van richtlijn 2013/48/EU aldus te worden uitgelegd dat het recht op toegang tot een advocaat rechtmatig kan worden uitgesteld wanneer de verdachte of beklaagde niet verschijnt bij de eerste oproeping door de rechter en er een nationaal, Europees of internationaal aanhoudingsbevel wordt uitgevaardigd, en dat de bijstand van een advocaat en diens verschijning in de procedure kunnen worden uitgesteld totdat het aanhoudingsbevel ten uitvoer is gelegd en de verdachte door de politie voor de rechter wordt gebracht?


Aangehaalde (recente) jurisprudentie: Geen

Specifiek beleidsterrein: JenV