C-661/18 CTT - Correios de Portugal

Prejudiciële hofzaak

Zie bijlage voor de verwijzingsuitspraak, en klik hier voor het dossier van het Hof van Justitie (voor zover beschikbaar).

Termijnen: Motivering departement:    12 december 2018
Schriftelijke opmerkingen:                    28 januari 2019

Trefwoorden: belasting; fiscale zaken

Onderwerp:

-           Unierechtelijke beginselen: neutraliteit, doeltreffendheid,gelijkwaardigheid, en evenredigheid.


Feiten:

Verzoekster houdt zich hoofdzakelijk bezig met de verrichting van postdiensten. Verzoekster verricht handelingen waarvoor recht op aftrek van de btw bestaat, en andere waarvoor dat recht niet bestaat, zodat verzoekster voor de toepassing van de btw een gemengde belastingplichtige is. Gedurende 2015 heeft verzoekster bij het boeken van de handelingen in een eerder stadium btw afgetrokken op basis van een voorlopig pro-ratapercentage (16%). Eind 2015 heeft verzoekster overeenkomstig artikel 23(6) van het btw-wetboek een herziening doorgevoerd (definitief pro-ratapercentage van 19%). Verzoekster heeft een correctie toegepast door vanaf 01.01.2013 de btw over die handelingen te voldoen en door in 2015 de btw voor 2013, 2014 en 2015 te corrigeren. Na deze btw-afdracht met terugwerkende kracht heeft verzoekster een ander criterium toegepast, namelijk dat van het daadwerkelijke gebruik van elke categorie van handelingen in een eerder stadium. Het verschil tussen de waarden van de methode van het daadwerkelijke gebruik en de pro-ratamethode voor dezelfde handelingen in een eerder stadium leidde tot een hogere btw-aftrek van €1.967.567,82.


Overweging:

De belasting- en douanedienst heeft geoordeeld dat de wijziging van de aftrekmethode in het kader van de herziening geen steun vindt in het btw-wetboek. Verzoekster is van mening dat ingevolge artikel 22(2) van het btw-wetboek het recht op aftrek kan worden uitgeoefend na afloop van het belastingjaar waarin het recht op aftrek ontstaat, binnen de termijn van vier jaar, indien er geen specifieke termijn is vastgesteld. Verzoekster betoogt dat de beginselen van doeltreffendheid, gelijkwaardigheid en neutraliteit onverenigbaar zijn met een uitlegging van artikel 22(2) van het btw-wetboek in de zin dat de aftrek van btw slechts op één bepaald moment of bij één bepaalde gebeurtenis (bij ontvangst van de facturen) mogelijk is. De verwijzende rechter twijfelt over de verenigbaarheid met Unierechtelijke beginselen van de nationale bepalingen en gaat daarom over tot het stellen van de prejudiciële vragen.


Prejudiciële vragen:

1. Staan de beginselen van neutraliteit, doeltreffendheid en gelijkwaardigheid en evenredigheid eraan in de weg dat artikel 98, lid 2, CIVA [Código do Imposto sobre o Valor Acrescentado] aldus wordt uitgelegd dat het niet van toepassing is op gevallen waarin een oorspronkelijk toegepaste aftrek wordt gewijzigd of herzien?

2. Verzetten deze beginselen zich tegen een wettelijke regeling als die van artikel 23, lid 1, onder b), en lid 6, CIVA [Código do Imposto sobre o Valor Acrescentado], wanneer deze bepaling aldus wordt uitgelegd dat een belastingplichtige die voor de berekening van het recht op aftrek van de over goederen en diensten voor gemengd gebruik voldane belasting heeft gekozen voor een coëfficiëntmethode en/of een verdelingscriterium, en die het afgetrokken btw-bedrag heeft gecorrigeerd op basis van de definitieve waarden over het jaar waarop de aftrek betrekking heeft, overeenkomstig lid 6 van die bepaling, die elementen niet met terugwerkende kracht kan wijzigen door een herberekening van de oorspronkelijk toegepaste aftrek die reeds is herzien overeenkomstig die bepaling, naar aanleiding van een aanslag in de btw die met terugwerkende kracht is vastgesteld met betrekking tot een activiteit die aanvankelijk als vrijgesteld werd beschouwd?


Aangehaalde (recente) jurisprudentie:

Specifiek beleidsterrein: FIN-fiscaal

Gerelateerde documenten