C-666/18 IT Development

Prejudiciële hofzaak

Zie bijlage voor de verwijzingsuitspraak, en klik hier voor het dossier van het Hof van Justitie (voor zover beschikbaar).

Termijnen: Motivering departement:    12 december 2018
Schriftelijke opmerkingen:                    28 januari 2019

Trefwoorden: intellectuele eigendom; IT

Onderwerp:

-           Richtlijn 2004/48/EG van het Europees Parlement en de Raas van 29 april 2004 betreffende de handhaving van intellectuele-eigendomsrechten;

-           Richtlijn 2009/24/EG van het Europees Parlement en de Raad van 23 april 2009 betreffende de rechtsbescherming van computerprogramma's;


Feiten:

Free Mobile is een aanbieder van mobiele telefonie op de Franse markt. Bij overeenkomst van 25.08.2010 heeft IT Development aan Free Mobile een licentie verleend en een onderhoudscontract met haar afgesloten voor het softwarepakket ClickOnSite. IT Development heeft aangevoerd dat er in strijd met de licentieovereenkomst wijzigingen zijn aangebracht in de software en heeft op 22.05.2015 inbeslagneming wegens inbreuk laten verrichten ten kantore van de onderneming Coraso, een subcontractant van Free Mobile. Volgens Free Mobile zijn de verzoeken op grond van inbreuk niet ontvankelijk. Daarnaast stelt Free Mobile dat de originaliteit van de software niet is bewezen en dat de handelingen voor beslag inzake inbreuk nietig zijn. Ook stelt Free Mobile dat de aangebrachte wijzigingen alleen betrekking hebben op de eigen database van de licentiehouders en dat de clausule waarin is bepaald dat het softwarepakket niet mag worden gewijzigd in strijd is met de bepalingen van het wetboek van intellectuele eigendom. Deze bepalingen moeten worden geacht niet te zijn geschreven. De rechter in eerste aanleg heeft de vorderingen van IT Development niet-ontvankelijk verklaard. IT Development heeft hiertegen hoger beroep ingesteld en de rechter in tweede aanleg verzocht om een prejudiciële vraag te stellen aan het Hof. In eerste aanleg waren de verzoeken van IT Development uitsluitend gebaseerd op inbreuk. In hoger beroep zijn zij subsidiair tevens gebaseerd op de contractuele aansprakelijkheid.


Overweging:

In het wetboek van intellectuele eigendom is bepaald dat de specifieke voorwaarden inzake wijziging van software contractueel kunnen worden vastgelegd, maar daar is niet bepaald dat een vordering wegens inbreuk in dergelijke gevallen zou zijn uitgesloten. Hetzelfde geldt voor de artikelen 4 en 5 van richtlijn 2009/24, waarvan zij de omzetting vormen. In richtlijn 2004/48 is als algemene regel bepaald dat de maatregelen, procedures en rechtsmiddelen van toepassing zijn op elke inbreuk op intellectuele-eigendomsrechten, ongeacht de vraag of deze inbreuk al dan niet voortvloeit uit het feit dat een overeenkomst niet is nagekomen. In deze omstandigheden is de verwijzende rechter van mening dat er een prejudiciële vraag moet worden voorgelegd aan het Hof.


Prejudiciële vragen:

Is het feit dat een licentiehouder van software zich niet houdt aan de voorwaarden van een softwarelicentieovereenkomst (door het verlopen van een proefperiode, overschrijding van het aantal gemachtigde gebruikers of een andere meeteenheid, zoals processors die kunnen worden gebruikt ter uitvoering van de software-instructies, of door wijziging van de broncode van de software, wanneer dit recht in de licentie is voorbehouden aan de oorspronkelijke rechthebbende):

-           een inbreuk (in de zin van richtlijn 2004/48 van 29 april 2004) jegens de houder van het auteursrecht van de software zoals voorbehouden in artikel 4 van richtlijn 2009/24/EG van 23 april 2009 betreffende de rechtsbescherming van computerprogramma’s;

-           of kan hiervoor een afzonderlijke juridische regeling gelden, zoals die inzake contractuele aansprakelijkheid van het gemene recht?



Aangehaalde (recente) jurisprudentie:

Specifiek beleidsterrein: EZK;

Gerelateerde documenten