C-671/18 Centraal Justitieel Incassobureau

Prejudiciële hofzaak

Zie bijlage voor de verwijzingsuitspraak, en klik hier voor het dossier van het Hof van Justitie (voor zover beschikbaar).

Termijnen: Motivering departement:    25 december 2018
Schriftelijke opmerkingen:                    11 februari 2019

Trefwoorden: rechtsbescherming; wederzijdse erkenning; geldelijke sancties

Onderwerp:

-           Kaderbesluit 2005/214/JBZ van de Raad van 24 februari 2005 inzake de toepassing van het beginsel van wederzijdse erkenning op geldelijke sancties, zoals gewijzigd bij kaderbesluit 2009/299/JBZ van de Raad van 26 februari 2009;


Feiten:

Bij brief van 24.05.2018 heeft het Centraal Justitieel Incassobureau (hierna: CJIB) de rechter in eerste aanleg (Polen) verzocht om erkenning en tenuitvoerlegging van een beslissing van 09.11.2017 waarbij Z.P. een geldelijke sanctie is opgelegd in verband met een verkeersovertreding. De overtreding is vastgesteld op basis van het geregistreerde kentekennummer. Zoals blijkt uit de beslissing bepaalt de Nederlandse wet in dat geval dat de persoon aansprakelijk wordt gesteld op wiens naam het voertuig geregistreerd staat. Derhalve heeft het CJIB de betrokkene bij beslissing van 09.11.2017 een geldboete van €232,- opgelegd. Aangezien de beslissing niet is aangevochten bij de officier van justitie, is dit op 21.12.2017 onherroepelijk geworden. Z.P. heeft voor de verwijzende rechter verklaard dat hij het voertuig met kenteken CCH92KL in 2014 heeft verkocht. Hij had de verkoop slechts meegedeeld aan zijn verzekeraar. Z.P. heeft aan de rechter verklaard dat hij tot op het moment van ontvangst van de dagvaarding niet wist dat de hem door de Nederlandse autoriteit toegezonden correspondentie van officiële aard was. Hij had binnen een tijdsspanne van enkele maanden een tiental soortgelijke brieven ontvangen. Overeenkomstig artikel 7(3) van het kaderbesluit heeft de rechter het CJIB verzocht om inlichtingen over de datum van betekening van de geldelijke sanctie. Uit het antwoord daarop blijkt dat het CJIB niet beschikt over informatie over de datum van betekening van deze brief.


Overweging:

De verwijzende rechter is van mening dat het mogelijk is dat het recht van Z.P. op een effectieve beroepsweg is geschonden, namelijk doordat in de precontentieuze bestuurlijke procedure niet is voorzien in een redelijke termijn voor het instellen van beroep. De termijn ging in op de datum waarop de brief door het CJIB is verzonden (verzend-theorie). De verwijzende rechter wijst erop dat de termijn voor het instellen van beroep overeenkomstig de beginselen die voortvloeien uit de rechtspraak van het EHRM dient in te gaan op de datum waarop de verzoekende partij daadwerkelijk kennis heeft kunnen nemen van een rechterlijke beslissing (ontvangst-theorie). Verder wenst de verwijzende rechter te vernemen of het kaderbesluit voorziet in een verschil in behandeling van personen aan wie een geldelijke sanctie is opgelegd, afhankelijk van de vraag welke sanctieprocedure wordt toegepast (de bestuursrechtelijke procedure, de bijzondere strafrechtelijke procedure voor lichte strafbare feiten of de gewone strafrechtelijke procedure). De vierde prejudiciële vraag strekt tot vaststelling of het krachtens artikel 20(3) geoorloofd is om te weigeren een beslissing van een administratieve autoriteit te erkennen en een daarbij opgelegde geldelijke sanctie ten uitvoer te leggen indien uit de beslissing blijkt dat de sanctie is opgelegd zonder dat er voorafgaand een onderzoeksprocedure is ingesteld.


Prejudiciële vragen:

1. Moeten artikel 7, lid 2, onder i), iii), en artikel 20, lid 3, van kaderbesluit 2005/214/JBZ van de Raad van 24 februari 2005 inzake de toepassing van het beginsel van wederzijdse erkenning op geldelijke sancties (PB 2005, L 76, blz. 16), zoals gewijzigd bij kaderbesluit 2009/299/JBZ van de Raad van 26 februari 2009 (PB 2009, L 81, blz. 24), aldus worden uitgelegd dat een rechter de tenuitvoerlegging van een beslissing van een niet-rechterlijke autoriteit van de beslissingsstaat mag weigeren indien hij vaststelt dat de betekening van de beslissing zodanig is geschied dat het recht van de justitiabele op effectieve rechterlijke bescherming is aangetast?

2. Kan inzonderheid als weigeringsgrond worden aangevoerd dat de gewoonlijk in de tenuitvoerleggingsstaat verblijvende justitiabele, niettegenstaande de naleving van de betekeningsprocedures van de beslissingsstaat en van de termijnen voor het aanvechten van een beslissing zoals bepaald in artikel 1, onder a), ii) en iii), van kaderbesluit 2005/214/JBZ van de Raad, in het stadium van de precontentieuze procedure niet over een reëel en doeltreffend middel beschikte om zijn rechten te beschermen, aangezien hij niet voldoende tijd had om naar behoren op de hem opgelegde sanctie te reageren?

3. Kan de omvang van de rechtsbescherming van personen aan wie een geldelijke sanctie moet worden opgelegd overeenkomstig artikel 3 van kaderbesluit 2005/214/JBZ van de Raad afhankelijk worden gesteld van de vraag welke sanctieprocedure wordt toegepast (de bestuursrechtelijke procedure, de bijzondere strafrechtelijke procedure voor lichte strafbare feiten of de gewone strafrechtelijke procedure)?

4. Mogen beslissingen van niet-rechterlijke autoriteiten, in het licht van de doelstellingen en de beginselen van kaderbesluit 2005/214/JBZ van de Raad en met name van artikel 3 daarvan, ten uitvoer worden gelegd indien deze zijn uitgevaardigd op basis van een regeling van de beslissingsstaat op grond waarvan

de persoon op wiens naam het voertuig staat ingeschreven, aansprakelijk wordt gesteld voor een verkeersovertreding, dat wil zeggen beslissingen die uitsluitend zijn gegeven op basis van informatie die is verkregen in het kader van de grensoverschrijdende uitwisseling van gegevens uit kentekenregisters,  zonder dat in de zaak een onderzoeksprocedure is ingesteld, ook niet betreffende de vaststelling van de feitelijke overtreder?


Aangehaalde (recente) jurisprudentie: Commissie/Parlement en Raad C-43/12; Radu C-396/11; Baláž C-60/12; Oleificio Borelli/Commissie C-97/91; Eribrand C-467/01; Henderson C-354/15; EHRM Ivanov en Ivashova tegen Rusland.

Specifiek beleidsterrein: JenV