C-674/17 Luonnonsuojeluyhdistys Tapiola

Prejudiciële hofzaak

Zie bijlage rechts voor de verwijzingsuitspraak, en klik hier voor het volledige dossier van het Hof van Justitie.

Termijnen: Motivering departement:    07 februari 2018
Schriftelijke opmerkingen:                    24 maart 2018

Trefwoorden: habitat;

Onderwerp:
-           Richtlijn 92/43/EEG van de Raad van 21 mei 1992 inzake de instandhouding van de natuurlijke habitats en de wilde flora en fauna (hierna: habitatrichtlijn);
-           Richtsnoeren van de Commissie inzake de strikte bescherming van diersoorten in de zin van de habitatrichtlijn;

Feiten:

De Suomen riistakeskus (Fins wildcentrum) verleende bij beslissing van 18.12.2015 op grond van de jachtwet een ontheffing aan M voor het doden van vier wolven in de periode van van 23.01.2016 – 21.02.2016. Ook verleende de riistakeskus bij beslissing van 18.12.2015 op grond van de jachtwet een ontheffing aan R voor het doden van drie wolven in diezelfde periode. De riistakeskus heeft deze ontheffingen verleend onder bepaalde voorwaarden en heeft o.a. gemotiveerd dat voor het gebied waarop de vergunningen betrekking hebben, geen andere bevredigende oplossing bestaat aangezien de wolven daar voor gevaar en overlast zorgen. Deze gebieden zijn perifere regio’s waar gezinnen wonen (waarvan de ouders bezorgd zijn over de veiligheid van hun kinderen). Met de op 31.12.2015 bij de bestuursrechter ingestelde beroepen vorderde de natuurbeschermingsvereniging Luonnonsuojeluyhdistys Tapiola-Pohjois-Savo-Kainuu ry (hierna: LTP) nietigverklaring van de twee bovengenoemde beslissingen van de riistakeskus en verbod van tenuitvoerlegging van die beslissingen. De bestuursrechter verklaarde bij beslissingen van 11.02.2016 de beroepen niet-ontvankelijk op grond dat de vereniging geen beroepsrecht heeft in de zaak. De verwijzende rechter (hoogste bestuursrechter) verleende in zijn tussenvonnissen van 29.05.2017 gedeeltelijk toestemming aan de LTP om hoger beroep in te stellen, vernietigde bovengenoemde beslissingen van de bestuursrechter en verklaarde de door de vereniging bij de bestuursrechter ingestelde beroepen rechtstreeks ontvankelijk. LTP vordert voor de bestuursrechter de beslissingen betreffende de verlening van de ontheffingen van de riistakeskus in strijd met de artikelen 12 en 16 van de habitatrichtlijn en nietig te verklaren. Omdat de wolf in Finland een bedreigde diersoort vormt, is er in het gehele land geen gebied waar hij talrijk voorkomt. De in artikel 16e van de habitatrichtlijn en §41a(3) van de jachtwet bedoelde uitzondering (beheersjacht) kan uitsluitend als populatiebeheer worden gerechtvaardigd wanneer de sterke situatie van de populatie van de soort dat vereist of toestaat. De riistakeskus refereert aan zijn motivering in zijn primaire beslissingen en stelt dat het streven naar een gunstige ontwikkeling van de wolvenpopulatie gewaarborgd is.

Overweging:

In de onderhavige zaak is de vraag gerezen of het uit het oogpunt van strikte bescherming in de zin de habitatrichtlijn voldoende is dat de beheersjacht betrekking heeft op een plaatselijke populatie van een soort, in dit geval de wolf, waarvan de staat van instandhouding gunstig is, zonder dat bij de toekenning van de ontheffing de staat van instandhouding van de soort op het gehele grondgebied van de lidstaat wordt beoordeeld. Bovendien moet worden onderzocht of een ontheffing in het kader van populatiebeheer ook mag worden verleend wanneer de soort niet in een gunstige staat van instandhouding verkeert, op voorwaarde echter dat het toestaan van de ontheffing de ongunstige staat van instandhouding van de soort niet kan verslechteren. In dit verband refereert de Korkein hallinto-oikeus aan het arrest van het Hof in zaak C-342/05 en aan de richtsnoeren van de Commissie. Om de beslissingen betreffende de verlening van de ontheffingen te rechtvaardigen is ook het argument gebruikt dat door het toestaan van de jacht schade aan honden wordt voorkomen en het gevoel van openbare veiligheid van degenen die in het gebied wonen, wordt verbeterd. In dit verband is echter niet uitdrukkelijk aangevoerd dat het gaat om situaties als bedoeld in artikel 16(1) onder b) en c), van de habitatrichtlijn. In de onderhavige zaak moet worden beoordeeld of deze factoren in aanmerking kunnen worden genomen bij de beantwoording van de vraag of de argumenten voor de uitoefening van beheersjacht op grond van artikel 16(1)e van de habitatrichtlijn voldoende zijn om deze jacht als enige bevredigende oplossing te kunnen beschouwen.

Prejudiciële vragen:

1. Kunnen, gelet op de bewoordingen van artikel 16, lid 1, onder e), van de habitatrichtlijn, op basis van aanvragen van individuele jagers regionale ontheffingen voor de zogeheten beheersjacht worden verleend?
– Is het voor de beantwoording van deze vraag van belang dat de toekenning van de ontheffing is gebaseerd op het nationale beheersplan en op de bij decreet vastgestelde maximale hoeveelheid dieren die mogen worden gedood, waarbinnen jaarlijks ontheffingen met betrekking tot het grondgebied van de lidstaat kunnen worden verleend?
– Kan bij de beoordeling rekening worden gehouden met andere factoren, zoals het voorkomen van schade aan honden en het vergroten van het gevoel van openbare veiligheid?
2. Kan de verlening van ontheffingen voor de in de eerste vraag bedoelde beheersjacht gerechtvaardigd zijn, omdat er geen andere bevredigende oplossing bestaat om illegale jacht te voorkomen in de zin van artikel 16, lid 1, van de habitatrichtlijn?
– Kan in dat geval rekening worden gehouden met de praktische problemen die zich voordoen bij het toezicht op de illegale jacht?
– Kan het voor de beoordeling of er een andere bevredigende oplossing bestaat, ook van belang zijn dat wordt beoogd schade aan honden te voorkomen en het gevoel van openbare veiligheid te vergroten?
3. Op welke wijze moet de in artikel 16, lid 1, van de habitatrichtlijn genoemde voorwaarde betreffende de staat van instandhouding van de populaties van de betrokken soort worden beoordeeld voor de toekenning van regionale ontheffingen?
– Dient de staat van instandhouding van een soort zowel op regionaal niveau als ten aanzien van het gehele grondgebied van de lidstaat of ook daarbuiten ten aanzien van het verspreidingsgebied van de soort te worden beoordeeld?
– Is het mogelijk dat de voorwaarden van artikel 16, lid 1, van de habitatrichtlijn voor het verlenen van een ontheffing zijn vervuld, ook al kan de staat van instandhouding van de populatie van de betrokken soort na een passende beoordeling niet als gunstig in de zin van de richtlijn worden beschouwd?
– Bij een bevestigend antwoord op de voorgaande vraag: in welke omstandigheden kan dat het geval zijn?

Aangehaalde (recente) jurisprudentie: Commissie/Verenigd Koninkrijk C-6/04; Commissie/Oostenrijk C-508/04; Commissie/Finland C-342/05.

Specifiek beleidsterrein: EZK; IenW