C-676/17

Prejudiciële hofzaak

Zie bijlage rechts voor de verwijzingsuitspraak, en klik hier voor het volledige dossier van het Hof van Justitie.

Termijnen: Motivering departement:    08 februari 2018
Schriftelijke opmerkingen:                    25 maart 2018

Trefwoorden: rechtsbescherming

Onderwerp:
-           VEU artikel 4(3);
-           VWEU artikel 110;
-           Handvest van de grondrechten van de Europese Unie artikelen 17, 20, 21 en 47;

Feiten:

Rekwirante (Oana Mădălina Călin) heeft op 12.04.2013 een tweedehands personenauto gekocht. Ten behoeve van de registratie van deze auto heeft zij de milieuheffing voldaan op 12.06.2013. Door middel van het beroep in eerste aanleg heeft rekwirante verzocht om teruggaaf van het voldane bedrag. De rechter in eerste aanleg heeft het beroep verworpen bij vonnis van 15.05.2014. Op 28.04.2015 heeft rekwirante een eerste verzoek tot herziening ingediend waarbij zij aanvoerde dat, gezien het arrest van het Hof (C-76/14), de heffing op verontreinigende emissies en de milieuheffing onverenigbaar waren met het Unierecht. Dit verzoek tot herziening is op 16.06.2015 afgewezen door de rechter in eerste aanleg, die van oordeel was dat de uitspraak in C-76/14 niet van toepassing was aangezien eiseres had verzocht om teruggaaf van de milieuheffing en niet om vrijstelling. De verwijzende rechter heeft op 24.11.2015 het door rekwirante ingestelde hoger beroep tegen het vonnis van 16.06.2015 van de rechter in eerste aanleg verworpen. Op 17.08.2016, nadat het Hof arrest had gewezen in C-586/14, heeft rekwirante een tweede verzoek tot herziening van het vonnis van 15.05.2014 van de rechter in eerste aanleg ingediend. Bij vonnis van 11.10.2016 heeft de rechter in eerste aanleg het verzoek tot herziening ingewilligd, waarbij het vonnis van 15.05.2014 volledig is gewijzigd, zodat in wezen het verzoek van eiseres is ingewilligd en verweerders werden verplicht tot teruggaaf van het betaalde bedrag. Verweerster ging hiertegen in beroep. Op 16.01.2017 heeft de verwijzende rechter het vonnis van 11.10.2016 volledig nietig verklaard. De door verweerster opgeworpen exceptie van termijnoverschrijding werd toegewezen door de verwijzende rechter aangezien het verzoek tot herziening van verzoekster tardief was ingediend. De verwijzende rechter constateerde dat in arrest nr. 45/2016 van de ÎCCJ, dat bindend is voor rechters, is vastgesteld dat “de termijn waarbinnen het verzoek tot herziening ingediend kan worden, een maand bedraagt […]” De verwijzende rechter heeft, bij toepassing van dit arrest, in aanmerking genomen dat het vonnis waarvan herziening is gevorderd, is medegedeeld op 26.05.2014, terwijl het verzoek tot herziening is ingediend op 17.08.2016, lang na het verlopen van de termijn van een maand. Tegen dit arrest van 16.01.2017 van de verwijzende rechter heeft rekwirante op 07.03.2017 het verzoek tot herziening ingediend dat het voorwerp vormt van het hoofdgeding.

Overweging:

In de nationale regelgeving (artikel 21(2) van Legea nr. 554/2004) is geen enkele termijn voor het indienen van een verzoek tot herziening bepaald. De verwijzende rechter constateert verder dat als aan arrest nr. 45/2016 van de ÎCCJ rechtsgeldigheid werd verleend, rekwirante niet langer zou kunnen verzoeken om herziening van het arrest van 16.10.2017, aangezien zij dan de termijn van een maand na de mededeling van het vonnis van 11.10.2016 niet meer zou kunnen naleven en er ook geen ander nationaal rechtsmiddel om teruggaaf van deze heffing te krijgen voor haar zou openstaan. Om deze redenen is de verwijzende rechter van oordeel dat door toepassing van arrest nr. 45/2016 van de ÎCCJ, dat bindend is voor de rechterlijke instanties, in de onderhavige zaak de beginselen van loyale samenwerking, doelmatigheid en doeltreffendheid zouden worden geschonden.

Prejudiciële vragen:

Kunnen artikel 4, lid 3, VEU, dat betrekking heeft op het beginsel van loyale samenwerking, de artikelen 17, 20, 21 en 47 van het Handvest van de grondrechten, artikel 110 VWEU, het rechtszekerheidsbeginsel, het gelijkwaardigheidsbeginsel en het doeltreffendheidsbeginsel, die voortvloeien uit het beginsel van de procedurele autonomie, aldus worden uitgelegd dat zij zich verzetten tegen een nationale regeling, namelijk artikel 21, lid 2, van Legea nr. 554/2004 privind contenciosul administrativ (wet nr. 554/2004 inzake het bestuursprocesrecht), zoals uitgelegd bij arrest nr. 45/2016 van de Înalta Curte de Casație și Justiție – Completul pentru dezlegarea unor chestiuni de drept (hoogste rechterlijke instantie van Roemenië – Instantie voor de beslechting van bepaalde rechtsvragen; hierna: „ÎCCJ”), volgens welke de termijn waarbinnen een verzoek tot herziening op grond van artikel 21, lid 2, van Legea nr. 554/2004 kan worden ingediend, een maand bedraagt, te rekenen vanaf de datum van mededeling van de voor herziening vatbare definitieve beslissing?

Aangehaalde (recente) jurisprudentie: Manea C-76/14; Budișan C-586/14; Câmpean C-200/14; Târșia C-69/14; Köbler C-224/01; Internationale Handelsgesellschaft 11/70; Administrazione delle Finanze dello Stato/Simmenthal 106/77; The Queen/Secretary of State for Transport, ex parte Factortame C-213/89;

Specifiek beleidsterrein: JenV