C-677/18 Amoena

C-677/18 Amoena

Prejudiciële hofzaak

Zie bijlage voor de verwijzingsuitspraak, en klik hier voor het dossier van het Hof van Justitie (voor zover beschikbaar).

Termijnen: Motivering departement:    25 december 2018
Schriftelijke opmerkingen:                    11 februari 2019

Trefwoorden: gecombineerde nomenclatuur; fiscaal

Onderwerp:

Uitvoeringsverordening (EU) 2017/1167 van de Commissie van 26 juni 2017 tot indeling van bepaalde goederen in de gecombineerde nomenclatuur;

Feiten:

Amoena is de importeur van postoperatieve beha’s (hierna: PB’s) in het Verenigd Koninkrijk. De PB’s van Amoena zijn ontworpen om te worden gedragen met borstprothesen door vrouwen die operatieve verwijdering van één of beide borsten hebben ondergaan. De uitvoeringsverordening bepaalt dat de PB’s moeten worden ingedeeld in hoofdstuk 62 van de gecombineerde nomenclatuur (GN), wat inhoudt dat hierover invoerrecht verschuldigd is. Amoena stelt dat de uitvoeringsverordening niet geldig is, en dat de PB’s dienen te worden ingedeeld in hoofdstuk 90 van de GN; in dat geval zou er geen invoerrecht verschuldigd zijn. Op 13.07.2016 heeft de Supreme Court van het Verenigd Koninkrijk geoordeeld dat de PB’s van Amoena moeten worden ingedeeld als een toebehoren bij een prothese (hoofdstuk 90) en niet als een bustehouder (hoofdstuk 62). De uitspraak van de Supreme Court was niet in lijn met de praktijk van GN-indeling in andere lidstaten. Bij de herziene ontwerpverordening (huidige uitvoeringsverordening) is de PB alsnog ingedeeld onder hoofdstuk 62 omdat het de objectieve kenrmerken heeft van een bustehouder. De uitvoeringsverordening strookt niet met de uitspraak van de Supreme Court. Op 01.08.2017 heeft Amoena een zending PB’s geïmporteerd. De invoer is ingeklaard onder GN-code 6212 10 90. Als gevolg daarvan was over de PB’s invoerrecht verschuldigd tegen een tarief van 6,5%. Diezelfde dag verzocht Amoena om terugbetaling van de invoerrechten. Op 01.09.2017 wezen de Commissionars Amoena’s verzoek af. Amoena verzocht de verwijzende rechter om prejudiciële verwijzing naar het Hof.

Overweging:

Amoena stelt dat de uitvoeringsverordening om de volgende drie redenen ongeldig is: i) de uitvoeringsverordening is kennelijk onjuist omdat zij ertoe strekt de PB’s in de verkeerde tariefpost in te delen, namelijk als ‘normale’ bustehouders; ii) de uitvoeringsverordening overschrijdt de beperkte bevoegdheden van de Commissie, omdat zij op onrechtmatige wijze de draagwijdte van de betreffende tariefpost beperkt; en iii) de uitvoeringsverordening vormt een inbreuk op artikel 4(3) VEU. De verwijzende rechter acht de argumenten van Amoena verdedigbaar en gaat daarom over op het stellen van de prejudiciële vragen.


Prejudiciële vragen:

1. Was het een kennelijke fout van de CCC en/of de Europese Commissie om de PB’s in te delen:
in hoofdstuk 62 van de gecombineerde nomenclatuur van de Europese Unie, onder tariefpost 6212, die nadrukkelijk ‘Bustehouders’ omvat, en GN-code 6212 10 90;  in plaats van in hoofdstuk 90, onder tariefpost 9021 en GN Code 9021 10 10, als toebehoren bij prosthesen zoals bedoeld in aantekening 2b op hoofdstuk 90 van de GN?

2. Beperkt de uitvoeringsverordening op onrechtmatige wijze de draagwijdte van de indeling voor toebehoren bij prothesen onder tariefpost 9021 en aantekening 2b op hoofdstuk 90 van de GN, en overschrijdt zij daarmee de bevoegdheid van de Europese Commissie?

3. Vormt de uitvoeringsverordening een inbreuk op het beginsel van loyale samenwerking zoals uiteengezet in artikel 4, lid 3, [VEU] in gevallen waarin: de Europese Commissie de beslissingen van nationale rechterlijke instanties moet respecteren, maar ook de uniforme (en juiste) toepassing van het douanewetboek en de GN moet bevorderen;
de Supreme Court van het Verenigd Koninkrijk tot de unanieme conclusie is gekomen dat de PB’s dienen te worden ingedeeld in hoofdstuk 90 van de GN met tariefpost 9021; en de beslissing van de Supreme Court is voorgelegd aan de Europese Commissie en door de Commissie, samen met een samenvatting van de motivering van de Supreme Court, ter beschikking is gesteld aan alle EU-lidstaten?

Aangehaalde (recente) jurisprudentie: Foto-Frost 314/85; IATA en ELFAA C-344/04; Lohmann en Medi Bayreuth C-260/00 tot C-263/00; Uroplasty C-514/04; Unomedical C-152/10; Cabletron C-463/98; GoldStar Europe C-401/93; Intermodal Transports C-495/03;
Specifiek beleidsterrein: FIN-fiscaal