C-678/18 Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden

C-678/18 Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden

Prejudiciële hofzaak

Zie bijlage voor de verwijzingsuitspraak, en klik hier voor het dossier van het Hof van Justitie (voor zover beschikbaar).

Termijnen: Motivering departement:    25 december 2018
Schriftelijke opmerkingen:                    11 februari 2019

Trefwoorden: bevoegdheid; gemeenschapsmodellen

Onderwerp:

-           Verordening 6/2002 van de Raad van 12 december 2001 betreffende Gemeenschapsmodellen (hierna: GModVo);


Feiten:

Spin Master is een Canadese onderneming in speelgoedproducten en verhandelt "Bunchems". Dit zijn speelballetjes (klittenballetjes) van plastic. De balletjes "klitten" aan elkaar, waardoor allerlei vormen en figuren kunnen worden gemaakt. Op 16.01.2015 is op naam van Spin Master en onder nummer 002614669-0002 een Gemeenschapsmodel voor haar speelballetjes geregistreerd. High5 verhandelt ook speelgoed, waaronder "Linkeez". Dit zijn ook speelballetjes (klittenballetjes) van plastic die aan elkaar "klitten" waardoor allerlei vormen en figuren kunnen worden gemaakt. Spin Master beroept zich op de inbreuk op haar Gemeenschapsmodel bij de voorzieningenrechter van de rechtbank Amsterdam. High5 stelt dat de voorzieningenrechter van de rechtbank Amsterdam niet bevoegd is. De voorzieningenrechter in de rechtbank Amsterdam wél bevoegd te zijn om kennis te nemen van de vorderingen. Tegen het vonnis van de voorzieningenrechter heeft de Procureur-Genereaal beroep in cassatie in het belang der wet ingesteld. Het cassatiemiddel houdt in dat de voorzieningenrechter heeft miskend dat uitsluitend de voorzieningenrechter in de rechtbank Den Haag bevoegd is kennis te nemen van vorderingen tot het treffen van voorlopige en beschermende maatregelen inzake inbreuk op Gemeenschapsmodellen.


Overweging:

De vordering van de Procureur-Generaal strekt ertoe dat de Hoge Raad het bestreden vonnis in het belang der wet zal vernietigen, althans het geding zal schorsen om een prejudiciële vraag te stellen aan het Hof over de uitleg van artikel 90 GModVo, en zal verstaan dat de vernietiging geen nadeel zal toebrengen aan de rechten door betrokkenen verkregen.


Prejudiciële vraag:

Moet art. 90 lid 1 GModVo aldus worden uitgelegd dat het een dwingende toekenning inhoudt aan alle daar genoemde rechterlijke instanties van een lidstaat, van de bevoegdheid om voorlopige en beschermende maatregelen te bevelen, of laat het de lidstaten - geheel of gedeeltelijk - vrij om de bevoegdheid dergelijke maatregelen te bevelen, bij uitsluiting op te dragen aan de rechterlijke instanties die overeenkomstig art. 80 lid 1 GModVo zijn aangewezen als rechtbanken (van eerste en tweede aanleg) voor het Gemeenschapsmodel?


Aangehaalde (recente) jurisprudentie: /

Specifiek beleidsterrein: JenV