C-680-17

C-680-17

Prejudiciële hofzaak

Zie bijlage rechts voor de verwijzingsuitspraak, en klik hier voor het volledige dossier van het Hof van Justitie.

Termijnen: Motivering departement:    06 februari 2018
Schriftelijke opmerkingen:                    23 maart 2018

Trefwoorden: Visa, Schengenvisum

Onderwerp:

-           Verordening (EG) nr. 810/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 13 juli 2009 tot vaststelling van een gemeenschappelijke visumcode (hierna: Visumcode);
-           Handvest van de grondrechten van de Europese Unie;

Feiten:

Eisers hebben beiden de Sri Lankaanse nationaliteit, zijn gehuwd en wonen in Sri Lanka. Referente is de (schoon)zus van eisers, heeft de Nederlandse nationaliteit en woont in Amsterdam. Op 16.08.2014 hebben eisers een Schengenvisum aangevraagd voor familiebezoek aan referente en haar zoon in Nederland. Eisers zijn verwezen naar VFS Global in Jaffna die als visumverstrekker in opdracht van Zwitserland namens Nederland visumaanvragen afhandelt in het noorden van Sri Lanka. VFS Global wees namens Zwitserland de visumaanvragen af bij primaire besluiten (van 19.08.2016) omdat eisers niet hebben aangetoond over voldoende middelen van bestaan te beschikken. Bij afzonderlijke besluiten van 28.09.2016 (de bestreden besluiten I) heeft verweerder (Minister van Buitenlandse Zaken) zich onbevoegd verklaard om op de bezwaren van eisers te beslissen. Eisers hebben tegen de bestreden besluiten I beroep ingesteld. Daarnaast hebben eisers en referente een aanvraag voor een visum kort verblijf gedaan bij de Visadienst in Nederland. Bij besluit van 18.10.2016 heeft verweerder geweigerd de aanvragen van eisers en referente ingediend bij de Nederlandse Visadienst voor een visum kort verblijf in behandeling te nemen. Bij besluit van 23.11.2016 (het bestreden besluit II) heeft verweerder het bezwaar van eisers en referente niet-ontvankelijk verklaard. Eisers en referente hebben tegen het bestreden besluit II beroep ingesteld. Eisers voeren in beroep aan dat Nederland hun bezwaarschriften respectievelijk hun visumaanvragen in behandeling moet nemen en dat Zwitserland slechts heeft opgetreden als vertegenwoordiger van Nederland. Eisers stellen dat het volledig uit handen geven van visumprocedures aan Zwitserland in strijd is met de effectieve rechtsgang als bedoeld in artikel 47 van het Handvest. Verweerder stelt zich op het standpunt dat hij niet bevoegd is om te beslissen over de visumaanvragen aangezien de bevoegdheid tot visumverlening in Sri Lanka op grond van artikel 8(4) van de Visumcode is overgedragen aan de Zwitserse autoriteiten. Nu de besluiten tot weigering van de visa zijn genomen door de Zwitserse autoriteiten, zouden eisers op grond van artikel 32(3) van de Visumcode beroep moeten instellen tegen Zwitserland als de lidstaat die de definitieve beslissing over de aanvraag heeft genomen.

Overweging:

Het is voor tweeërlei uitleg vatbaar welke staat bij een afwijzend besluit namens een andere staat, de staat is die het 'finaal besluit' neemt en waarbij men dus op basis van artikel 32(3) beroep tegen de weigering moet instellen. De verwijzende rechter ziet zich gesteld voor de vraag in hoeverre artikel 32(3) van de Visumcode zich er tegen verzet dat referente bij de Nederlandse rechter beroep instelt tegen de bestreden besluiten I en II van verweerder en of in dat geval de Nederlandse wetgeving van toepassing is op het beroep. De verwijzende rechter ziet zich tevens gesteld voor de vraag of het verplicht procederen in Zwitserland, een andere staat dan die van de reisbestemming van eisers, een schending betekent van het recht op een effectief rechtsmiddel als bedoeld in artikel 47 van het Handvest. Gelet op de beoordelingsmarge die een staat in visumzaken heeft, is vervolgens de vraag hoe effectief de rechtsbescherming is die een Zwitserse rechter kan bieden in een Nederlandse situatie.

Prejudiciële vragen:

1. Staat artikel 32, derde lid, van de Visumcode er aan in de weg dat een referent als belanghebbende bij de visumaanvraag van eisers, een bezwaar- en beroepsmogelijkheid tegen de weigering van dat visum op eigen naam heeft?

2. Moet de vertegenwoordiging, zoals die is geregeld in artikel 8, vierde lid, van de Visumcode, worden opgevat in die zin dat de verantwoordelijkheid (ook) bij de vertegenwoordigde staat blijft of dat de verantwoordelijkheid volledig wordt overgedragen aan de vertegenwoordigende staat, zodat de vertegenwoordigde staat niet zelf meer bevoegd is?

3. In het geval artikel 8, vierde lid, aanhef en onder d, van de Visumcode beide vertegenwoordigingsvormen als bedoeld onder II mogelijk maakt, welke lidstaat moet dan worden aangemerkt als de lidstaat die de definitieve beslissing heeft genomen als bedoeld in artikel 32, derde lid, van de Visumcode?

4. Is een uitleg van artikel 8, vierde lid, en artikel 32, derde lid, van de Visumcode, waarbij de visumaanvragers het beroep tegen de afwijzing van hun aanvragen uitsluitend bij een bestuurlijke of rechterlijke instantie van de vertegenwoordigende lidstaat kan instellen en niet in de vertegenwoordigde lidstaat waarvoor het visum is aangevraagd, in overeenstemming met het recht op een effectieve rechtsbescherming als bedoeld in artikel 47 van het Handvest? Is voor het antwoord op deze vraag relevant dat de geboden rechtsgang waarborgt dat de aanvrager het recht heeft om te worden gehoord, dat hij het recht heeft om te procederen in een taal van één van de lidstaten, dat de hoogte van leges of griffierechten voor bezwaar- en beroepsprocedures voor de aanvrager niet onevenredig zijn en dat de mogelijkheid van gefinancierde rechtshulp aanwezig is? Is, gelet op de bij visumzaken geldende beoordelingsmarge voor de staat, voor het antwoord op deze vraag relevant of een Zwitserse rechter voldoende zicht heeft op de Nederlandse situatie om effectief rechtsbescherming te kunnen bieden?

Aangehaalde (recente) jurisprudentie: Koushkaki C-84/12;

Specifiek beleidsterrein: JenV; JenV-dmb