C-681/18 JH

C-681/18 JH

Prejudiciƫle hofzaak

Zie bijlage voor de verwijzingsuitspraak, en klik hier voor het dossier van het Hof van Justitie (voor zover beschikbaar).

Termijnen: Motivering departement:    27 december 2018
Schriftelijke opmerkingen:                    13 februari 2019

Trefwoorden: Uitzendkracht, arbeidsrecht

Onderwerp:

-           Artikel 267 Verdrag betreffende de Werking van de EU (VWEU);

-           Richtlijn 2008/104/EG van het Europees Parlement en de Raad van 19 november 2008 betreffende uitzendarbeid;


Feiten:

Verzoeker (JH) is een door een uitzendbureau uitgezonden arbeidskracht. Verzoeker heeft van 03.03.2014 t/m 30.11.2016 in loondienst voor de vennootschap KG als machinebediener en draaibankwerker gewerkt op grond van elkaar opvolgende overeenkomsten voor de terbeschikkingstelling van arbeidskrachten. Deze overeenkomsten zijn ook in totaal zeventien keer verlengd. Verzoeker heeft bij de Italiaanse rechter een verzoek ingediend als bedoeld in artikel 27 van het (Italiaanse) wetsbesluit nr. 276/2003 tegen KG. Dit artikel houdt in dat wanneer bij de terbeschikkingstelling van arbeidskrachten de beperkingen en voorwaarden van dit wetsbesluit niet in acht worden genomen, de werknemer, door middel van een verzoek dat ook enkel aan de inlener (degene bij wie de arbeidskracht daadwerkelijke arbeid verricht) kan worden bekendgemaakt, kan vragen dat een arbeidsverhouding tussen hem en deze persoon tot stand is gekomen, met werking vanaf het begin van de terbeschikkingstelling. Verzoeker heeft de Italiaanse rechter verzocht om te verklaren dat er tussen verzoeker en KG een arbeidsverhouding voor onbepaalde tijd in loondienst tot stand is gekomen en dat de overeenkomsten op grond waarvan verzoeker tot dan toe werkte bij KG onrechtmatig en/of nietig zijn.


Overweging:

De verwijzende rechter overweegt dat de bepalingen in de nationale wet in strijd zijn met richtlijn 2008/104 omdat de relevante bepalingen van deze wet geen rechterlijke toetsing van de redenen voor het gebruik van de terbeschikkingstelling van uitzendkrachten toelaat en geen beperkingen stelt aan de opeenvolgende opdrachten van dezelfde uitzendkracht bij dezelfde werkgever. Daarom is de verwijzende rechter het met verzoeker eens dat de relevante nationale wetgeving op dit punt in strijd is met artikel 15 van richtlijn 2008/104 omdat deze richtlijn erkent dat arbeidsovereenkomsten voor onbepaalde tijd de algemene vorm van arbeidsverhouding zijn. Tevens zou de relevante nationale bepalingen in strijd zijn met artikel 5(5) van de richtlijn, dat de lidstaten voorschrijft om passende maatregelen te nemen om te voorkomen dat door het geven van achtereenvolgende opdrachten (verlenging van een uitzendcontract) de bepalingen van deze richtlijn vermeden kunnen worden. Ook wijst de verwijzende rechter erop dat de nationale regeling in strijd is met artikelen 1(1) en 3(1) onder b), c), d) en e) van de richtlijn omdat deze richtlijn er steeds vanuit gaat dat de terbeschikkingstelling van de arbeidskracht aan de inlener (werkgever) van tijdelijke aard is.


Prejudiciƫle vraag:

Moet artikel 5, lid 5, van richtlijn 2008/104/EG van 19 november 2008 aldus worden uitgelegd dat deze bepaling in de weg staat aan de toepassing van decreto legislativo nr. 276/2003, zoals gewijzigd bij decreto legge 34/2014, dat: a) geen grenzen stelt aan de achtereenvolgende opdrachten van dezelfde arbeidskracht bij dezelfde inlenende onderneming; b) aan het rechtmatige gebruik van de terbeschikkingstelling van arbeidskrachten voor bepaalde tijd niet als voorwaarde stelt dat technische redenen of redenen in verband met vereisten op het gebied van de productie, de organisatie of vervanging van personeelsleden bestaan; c) niet voorschrijft dat het gebruik van dit soort arbeidsovereenkomsten slechts rechtmatig is wanneer de productiebehoefte van de inlenende onderneming tijdelijk is?


Aangehaalde (recente) jurisprudentie: /

Specifiek beleidsterrein: SZW