C-691/17 PORR Építési Kft

Prejudiciële hofzaak.

Zie bijlage rechts voor de verwijzingsuitspraak, en klik hier voor het volledige dossier van het Hof van Justitie.

Termijnen: Motivering departement:    07 februari 2018
Schriftelijke opmerkingen:                    24 maart 2018

Trefwoorden: btw; fiscale neutraliteit

Onderwerp:

-           Richtlijn 2006/112/EG van de Raad van 28 november 2006 betreffende het gemeenschappelijke stelsel van belasting over de toegevoegde waarde.

Feiten:

De belastingdienst heeft achteraf een controle uitgevoerd naar de ingediende aangiften van belasting en staatssteun door verzoekster in de jaren 2010 en 2011. Als gevolg van dat onderzoek heeft de belastingdienst verzoekster bij besluit van 13.03.2015 verplicht tot betaling van 88.644.000 HUF ontstaan uit verschil in btw, vermeerderd met een fiscale boete, verzuimboete en verzuimrente. Verweerder (directoraat-generaal bezwaren van de nationale belastingdienst) heeft in zijn beslissing op bezwaar van 31.07.2015 het primaire besluit – voor zover het vaststellingen aangaande vennootschapsbelasting betrof – vernietigd en terugverwezen naar de belastingdienst, en het voor het overige in stand gelaten. Verweerder beroept zich op de btw-wet, de wet financiële verslaglegging en de wet fiscaal procesrecht. Verweerder heeft vastgesteld dat de in de facturen vermelde uitgevoerde verrichtingen verband hielden met de hoofdactiviteit bouwwerkzaamheden, en dat op die activiteiten derhalve de verleggingsregeling van toepassing was. De facturen hadden hetzij zonder btw moeten worden opgesteld, hetzij met de vermelding dat de daarop genoemde economische gebeurtenissen onder de verleggingsregeling vielen. Verweerder heeft benadrukt dat verzoekster op grond van deze facturen geen recht had op aftrek krachtens §120a btw-wet, maar dat zij op grond van §120b btw-wet wel voor aftrek in aanmerking kwam. Voorts heeft verweerder opgemerkt dat de opstellers van de facturen bestaande ondernemingen waren en als zodanig verzocht konden worden om de betwiste facturen te rectificeren. Verzoekster heeft gevorderd de bestreden besluiten te herzien en de betalingsverplichting te schrappen, subsidiair de bestreden besluiten te vernietigen en de belastingdienst te verplichten een nieuw besluit te nemen. Daartoe heeft verzoekster o.a. aangevoerd dat de belastingdienst op basis van de beschikbare gegevens ten onrechte tot de conclusie was gekomen dat de betrokken facturen onder de verleggingsregeling vielen.

Overweging:

De verwijzende rechter stelt dat de handelswijze van de belastingdienst mogelijk in strijd is met het gemeenschapsrecht en met de beginselen van fiscale neutraliteit, doeltreffendheid en evenredigheid. Na het instellen van de belastingcontrole was het voor verzoekster immers niet meer mogelijk om een aanvullende, gecorrigeerde aangifte in te dienen. Het had op de weg van de belastingdienst gelegen om de aldus ontstane situatie te regulariseren. De verwijzende rechter is van mening dat voor de in het onderhavige geval gerezen vraag geen eenduidige aanwijzingen voor de nationale rechter voorhanden zijn. De verwijzende rechter geeft het Hof in overweging om een aanwijzing te geven over de vraag hoe de ontvanger van een factuur – in de onderhavige zaak verzoekster – in de positie kan worden gebracht dat hij het geld krijgt dat hem toekomt. In welke procedure kan een dergelijke reparatie plaatsvinden: in een procedure bij de bestuursrechter of in het kader van een nieuwe, door de belastingdienst in te stellen procedure? De verwijzende rechter verzoekt het Hof ten slotte om een aanwijzing voor de beantwoording van de vraag of het in de onderhavige zaak de taak van de belastingdienst in het kader van een administratiefrechtelijke procedure, dan wel van de bestuursrechter is om de feiten over de positie van de opstellers van de facturen op te helderen.

Prejudiciële vragen:

1. Dienen de bepalingen van richtlijn 2006/112/EG, in het bijzonder de beginselen van evenredigheid, fiscale neutraliteit en doeltreffendheid, aldus te worden uitgelegd dat zij zich verzetten tegen de praktijk van een nationale belastingautoriteit die, terwijl geen sprake is van belastingfraude, de uitoefening van het recht op belastingaftrek op basis van een factuur die is opgemaakt volgens de gewone btw-regeling, weigert omdat over de transactie een factuur op grond van de verleggingsregeling opgemaakt had moeten worden, maar vóór de weigering van het recht op aftrek
- niet onderzoekt of de opsteller van de factuur in staat is de bij vergissing betaalde btw aan de ontvanger van de factuur terug te betalen, en
- niet onderzoekt of de opsteller van de factuur rechtmatig (binnen het nationale wetgevingskader) de factuur kan rectificeren of op eigen initiatief een aanvullende, gecorrigeerde aangifte kan indienen en op basis daarvan de door hem bij vergissing betaalde belasting van de belastingdienst terug kan vragen?

2. Dienen de bepalingen van richtlijn 2006/112/EG, in het bijzonder de beginselen van evenredigheid, fiscale neutraliteit en doeltreffendheid, aldus te worden uitgelegd dat zij zich verzetten tegen de praktijk van een nationale belastingautoriteit die de uitoefening van het recht op belastingaftrek op basis van een factuur die is opgemaakt volgens de gewone btw-regeling, weigert omdat over de transactie een factuur op grond van de verleggingsregeling opgemaakt had moeten worden, maar geen beslissing neemt over de terugbetaling van de bij vergissing betaalde belasting aan de ontvanger van de factuur, hoewel de opsteller van de factuur de op de facturen vermelde btw overigens aan de schatkist heeft betaald?

Aangehaalde (recente) jurisprudentie: C-392/09; C-368/09; C-424/12; C-332/15; C-564/15.

Specifiek beleidsterrein: FIN-fiscaal
 

Gerelateerde documenten