C-692/17

Prejudiciële hofzaak

Zie bijlage rechts voor de verwijzingsuitspraak, en klik hier voor het volledige dossier van het Hof van Justitie.

Termijnen: Motivering departement:    19 maart 2018
Schriftelijke opmerkingen:                    5 mei 2018

Trefwoorden: btw-richtlijn;

Onderwerp:
-           Richtlijn 2006/112/EG van de Raad van 28 november 2006 betreffende het gemeenschappelijke stelsel van belasting over de toegevoegde waarde (hierna: btw-richtlijn);

Feiten:

Verzoekster heeft in het kader van haar activiteit van bemiddeling in onroerend goed op 26.11.2006 een overeenkomst gesloten met client. Verzoekster zou haar diensten van bemiddeling verrichten ten behoeve van de verkoop van het landhuis van client voor minimaal €1.600.000,-. In maart 2007 was er een geïnteresseerde partij voor het landhuis; client heeft het landhuis evenwel niet verkocht. Verzoekster vorderde bij de rechter in eerste aanleg de vergoeding voor haar bemiddelingsdiensten (€125.000,- + rentes) en voerde aan dat zij haar bemiddelingsdiensten volledig had verricht. Op 30.09.2010 heeft de rechter de vordering toegewezen. Op 29.09.2010 heeft verzoekster de uitvoerbare schuldvordering, in een van bovengenoemd rechtsvordering losstaande transactie, overgedragen aan Starplant voor een bedrag van €351.619,90. De belastinginspectie was van mening dat in de btw-aangifte van verzoekster de overdracht van bovengenoemde procedurele positie niet correct was geboekt. De belastinginspectie ging over tot naheffing van de btw (€83.647,77). Verzoekster stelde hierop beroep in bij de bestuursrechter die dit beroep toewees. Verweerster ging hierop in hoger beroep bij de centrale bestuursrechter die dit hoger beroep toewees en de eerdere uitspraak vernietigde. Verzoekster diende cassatieberoep in tegen deze uitspraak bij de verwijzende rechter. Volgens verzoekster maakt het Hof (C-453/05) niet alleen een duidelijk onderscheid tussen de overdracht van een schuldvordering en het sluiten van een leningsovereenkomst, maar is het ook van oordeel dat de betrokken vrijstelling van toepassing is ongeacht de juridische aard van de onderneming die de schuldvordering overdraagt.

Overweging:

De verwijzende rechter merkt op dat moet worden nagegaan of de niet-toepassing van de btw-vrijstelling verenigbaar is met artikel 135 van de btw-richtlijn, zoals uitgelegd door het Hof. Volgens de verwijzende rechter blijkt uit de aangehaalde rechtspraak duidelijk dat het Hof zich uitspreekt vóór toepassing van de btw-vrijstelling op de verlening, overdracht en bemiddeling van kredieten, ongeacht de aard van de verrichter of de ontvanger van de dienst. Niettemin wordt de aard van de in het hoofdgeding aan de orde zijnde transactie gekenmerkt door bepaalde bijzonderheden, waardoor de verwijzende rechter niet met zekerheid kan bepalen of de transactie al dan niet valt onder de termen “verlening”, “bemiddeling” of “beheer van kredieten” in artikel 135(1)b van de btw-richtlijn, aangezien de situaties waarin het Hof zich heeft uitgesproken over de werkingssfeer van artikel 135 van de btw-richtlijn, nauw samenhangen met het verlenen van kredieten/financieringen/leningen in de traditionele zin, terwijl het hoofdgeding betrekking heeft op de overdracht van een procedurele positie in een executoriale procedure ter inning van een uit een overeenkomst inzake vastgoedbemiddeling voortvloeiende, op grond van een gerechtelijke beslissing erkende schuldvordering.

Prejudiciële vragen:

Omvatten, voor de toepassing van de vrijstelling voorzien in artikel 135, lid 1, onder b), van de btw-richtlijn, de begrippen „verlening”, „bemiddeling” en „beheer van kredieten”, ook de overdracht onder bezwarende titel aan een derde van de procedurele positie die door een btw-belastingplichtige wordt ingenomen in het kader van de executie van een uit een overeenkomst inzake vastgoedbemiddeling voortvloeiende, en op grond van een gerechtelijke beslissing erkende schuldvordering – te vermeerderen met de btw tegen het tarief dat geldt op de datum van betaling, alsmede de reeds ontstane vertragingsrente en de rente die loopt tot aan de volledige betaling?

Aangehaalde (recente) jurisprudentie: Muys’ en De Winter’s Bouw- en Aannemingsbedrijf C-281/91; Ludwig C-453/05.

Specifiek beleidsterrein: FIN-fiscaal