C-700/17

Prejudiciële hofzaak

Zie bijlage rechts voor de verwijzingsuitspraak, en klik hier voor het volledige dossier van het Hof van Justitie.

Termijnen: Motivering departement:    07 februari 2018
Schriftelijke opmerkingen:                    24 maart 2018

Trefwoorden: btw; vrijstelling; beroepskwalificaties

Onderwerp:
-           Richtlijn 2006/112/EG van de Raad van 28 november 2006 betreffende het gemeenschappelijke stelsel van belasting over de toegevoegde waarde (hierna: btw-richtlijn);
-           Zesde richtlijn 77/388/EEG van de Raad van 17 mei 1977 betreffende de harmonisatie van de wetgevingen der lidstaten inzake omzetbelasting.

Feiten:

Verzoeker is een in klinische chemie en laboratoriumdiagnostiek gespecialiseerde arts. Verzoeker verrichtte in de litigieuze jaren 2009-2012, uitsluitend handelingen ten behoeve van LADR, een commercieel laboratorium. LADR verleende laboratoriumdiensten aan vrijgevestigde artsen, revalidatieklinieken, geneeskundige diensten en ziekenhuizen. Volgens de vaststellingen van de belastingrechter in eerste aanleg verrichtte verzoeker voor LADR medisch onderzoek ten behoeve van concrete medische laboratoriumdiagnoses en verleende hij medische ondersteuning. Verzoeker ging ervan uit dat deze handelingen ten behoeve van LADR als medische verzorging in de zin van §4.14a van de Duitse wet op de omzetbelasting (UstG) vrijgesteld waren van btw, en diende derhalve over de litigieuze jaren geen btw-aangiften in. De belastingdienst merkte de betreffende handelingen echter aan als met btw belaste handelingen en legde over de litigieuze jaren op basis van de nettohonoraria forfaitaire naheffingsaanslagen voor de omzetbelasting op. Volgens de belastingdienst zijn diensten van klinisch chemici en laboratoriumartsen niet gebaseerd op een persoonlijke vertrouwensrelatie met de patiënten, welk criterium echter een voorwaarde is voor de toepassing van de btw-vrijstelling op grond van §4.14a UStG. In de daaropvolgende bezwaarprocedures nam de belastingdienst in herziene aanslagen over de litigieuze jaren de door verzoeker subsidiair aangevoerde voorbelasting in aanmerking; bij beschikking op bezwaarschrift van 02.12.2013 verklaarde de belastingdienst de bezwaren voor het overige ongegrond. De belastingrechter wees het beroep toe en stelde door vernietiging van de beschikking op bezwaarschrift en wijziging van de betwiste belastingaanslagen de btw over de litigieuze jaren vast op €0,-. De belastingrechter oordeelt dat de vrijstelling op grond van §4.14a UStG niet vereist dat er sprake is van een persoonlijke vertrouwensrelatie tussen arts en patiënt. Met het beroep in Revision stelt de belastingdienst dat het materiële recht is geschonden. De belastingdienst voert in wezen aan dat het Hof in zijn arresten in C-106/05 en C-156/09 niet is afgeweken van zijn eerdere rechtspraak, volgens welke medische verzorging buiten ziekenhuizen en soortgelijke instellingen alleen is vrijgesteld van belasting op grond van artikel 132(1)c van de btw-richtlijn, wanneer zij wordt geboden in het kader van een persoonlijke vertrouwensrelatie. De belastingdienst concludeert tot vernietiging van de beslissing van de belastingrechter en afwijzing van het beroep. Verzoeker concludeert tot verwerping van het beroep in Revision en verdedigt de uitspraak van de belastingrechter.

Overweging:

De handelingen van verzoeker die op grond van artikel 2(1)a van de btw-richtlijn onderworpen zijn aan de btw voldoen aan het criterium voor vrijstelling van §4.14a UStG en artikel 132(1)c van de btw-richtlijn. Het gaat om medische verzorging in het kader van de uitoefening van het beroep van arts. De vraag is echter of toepassing van de vrijstelling van §4.14a UStG en artikel 132(1)c van de btw-richtlijn in het geval van medische analyses als in casu niet (a priori) is uitgesloten omdat die vrijstelling terzijde wordt geschoven door artikel 132(1)b van de btw-richtlijn. Indien artikel 132(1)c van de btw-richtlijn van toepassing is, rijst voorts de vraag of de toepassing van deze bepaling vereist dat er sprake is van een persoonlijke vertrouwensrelatie tussen de patiënt en de zorgverstrekker.

Prejudiciële vragen:

1. Moet de btw-vrijstelling voor medische verzorging door een in klinische chemie en laboratoriumdiagnostiek gespecialiseerde arts in omstandigheden zoals in het hoofdgeding worden beoordeeld op basis van artikel 132, lid 1, onder c), van richtlijn 2006/112/EG van de Raad van 28 november 2006 betreffende het gemeenschappelijke stelsel van belasting over de toegevoegde waarde of op basis van artikel 132, lid 1, onder b), van diezelfde richtlijn?

2. Kan artikel 132, lid 1, onder c), van richtlijn 2006/112/EG van de Raad van 28 november 2006 betreffende het gemeenschappelijke stelsel van belasting over de toegevoegde waarde – in het geval dat deze bepaling van toepassing is – slechts worden toegepast indien er sprake is van een vertrouwensrelatie tussen de arts en de behandelde persoon?

Aangehaalde (recente) jurisprudentie: L.u.P. C-106/05; Verigen Transplantation Service International C-156/09; Future Health Technologies C-86/09; D'Ambrumenil en Dispute Resolution Services C-307/01; CopyGene C-262/08; Klinikum Dortmund C-366/12; Commissie/Verenigd Koninkrijk C-353/85; Dornier C-45/01; Kügler C-141/00; PFC Clinic C-91/12; De Fruytier C-334/14.

Specifiek beleidsterrein: FIN-fiscaal