C-702/17 Unareti

Prejudiciële hofzaak

Zie bijlage rechts voor de verwijzingsuitspraak, en klik hier voor het volledige dossier van het Hof van Justitie.

Termijnen: Motivering departement:    13 maart 2018
Schriftelijke opmerkingen:                    27 april 2018

Trefwoorden: aanbesteding; aardgas; mededinging

Onderwerp:

-           VWEU artikel 106;
-           Richtlijn 96/92/EG van het Europees Parlement en de Raad van 19 december 1996 betreffende gemeenschappelijke regels voor de interne markt voor elektriciteit;
-           Richtlijn 98/30/EG van het Europees Parlement en de Raad van 22 juni 1998 betreffende gemeenschappelijke regels voor de interne markt voor aardgas;
-           Richtlijn 2003/55/EG van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2003 betreffende gemeenschappelijke regels voor de interne markt voor aardgas en houdende intrekking van Richtlijn 98/30/EG;

Feiten:

Verzoeker (Unareti) is een exploitant die aardgas distribueert (ongeveer 2 miljard kubieke meter per jaar) in 213 Italiaanse gemeenten. Verzoeker heeft bij de TAR Lazio principaal beroep ingesteld tegen het besluit van 22.05.2014 van het Ministerie van Economische Ontwikkeling tot goedkeuring van de “richtsnoeren” voor de toe te passen criteria en regels bij de vaststelling van “het bedrag van de teruggave” waarop eerdere concessiehouders van gasdistributie-installaties recht hebben. In deze fase dient om een prejudiciële verwijzing te worden verzocht met betrekking tot die middelen waarmee wordt aangevoerd dat de richtsnoeren onrechtmatig zijn voor zover daarin is bepaald dat onder bepaalde voorwaarden de daarin vastgestelde criteria voor de vaststelling van het bedrag van de teruggave in bepaalde omstandigheden voorrang hebben boven de wil van de partijen zoals die eerder in de overeenkomst is vastgelegd, met schending van de beginselen van rechtszekerheid, gewettigd vertrouwen en niet-terugwerkende kracht van bestuurlijke handelingen tot gevolg. Verzoeker is met een aanvullend verzoekschrift opgekomen tegen ministerieel besluit nr. 106 van 20.05.2015. Daarbij heeft zij meerdere gronden aangevoerd, waaronder dat dit besluit onrechtmatig is omdat het voorschriften invoert die gevolgen hebben voor reeds bestaande vaste overeenkomsten, met schending van de beginselen van rechtszekerheid, gewettigd vertrouwen, niet-terugwerkende kracht van de rechtsregels, en het redelijkheid- en de evenredigheidsbeginsel tot gevolg. De TAR Lazio heeft het principaal beroep bij vonnis van 14.10.2016 niet-ontvankelijk verklaard, en het aanvullende beroep deels verworpen en deels niet-ontvankelijk verklaard. Het gerecht oordeelde dat doordat het aanvullende beroep is verworpen, de eventuele nietigverklaring van de richtsnoeren geen nut meer heeft, “aangezien de betrokken bevoegdheid niet anders kan worden geherformuleerd dan in overeenstemming met ministerieel besluit 106/2015”. Verzoeker heeft hoger beroep ingesteld en daarbij dezelfde gronden als in eerste aanleg aangevoerd. De overheidsinstelling heeft in haar verweer verwerping van het beroep gevorderd.

Overweging:

Het gaat in deze zaak om de criteria voor de vaststelling van het bedrag van de teruggave die toekomt aan aardgasdistributeurs wiens concessies vóór de einddatum zijn ingetrokken om vervolgens middels een aanbestedingsprocedure opnieuw te kunnen worden gegund. De te onderzoeken prejudiciële vraag is of de nationale omzettingsregeling met de bijbehorende bepalingen verenigbaar zijn met de Europese beginselen van rechtszekerheid en bescherming van het gewettigd vertrouwen.

Prejudiciële vragen:

Staan deze beginselen en bepalingen in de weg aan een nationale regeling zoals hierboven weergegeven, volgens welke de criteria voor de vaststelling van het bedrag van de teruggaven die aan ex-concessiehouders toekomen terugwerkende kracht hebben en daardoor gevolgen sorteren voor de reeds bestaande contractuele betrekkingen, of wordt deze terugwerkende kracht gerechtvaardigd, ook in het licht van het evenredigheidsbeginsel, door de noodzaak om andere, op Europees niveau relevante openbare belangen te beschermen die verband houden met de noodzaak een betere bescherming van de mededinging binnen de referentiemarkt mogelijk te maken en een betere bescherming te bieden aan de gebruikers van de dienst die indirect de gevolgen van een eventuele verhoging van de aan  exconcessiehouders toekomende bedragen zouden kunnen ondergaan?

Aangehaalde (recente) jurisprudentie: Test Claimants in the Franked Investment Income Group Litigation C-362/12; ASM Brescia SpA C-347/06.

Specifiek beleidsterrein: EZK