C-703/17

Prejudiciële hofzaak

Zie bijlage rechts voor de verwijzingsuitspraak, en klik hier voor het volledige dossier van het Hof van Justitie.

Termijnen: Motivering departement:    08 februari 2018
Schriftelijke opmerkingen:                    25 maart 2018

Trefwoorden: vrij verkeer werknemers; arbeidsrecht

Onderwerp:

-           Verordening (EU) nr. 492/2011 van het Europees Parlement en de Raad van 5 april 2011 betreffende het vrije verkeer van werknemers binnen de Unie;
-           Handvest van de grondrechten van de Europese Unie artikelen 20 en 21;
-           VWEU artikel 45.

Feiten:

Verzoekster is doctor in de geschiedenis en was in het kader van een onderwijsaanstelling aan de universiteit München gedurende 5 jaar op haar vakgebied werkzaam. Vanaf het wintersemester van het studiejaar 2000/2001 was zij bij verweerster (Universiteit Wenen) als docente werkzaam. Verzoekster is per 01.10.2010 als senior lecturer/postdoc aangesteld. In de overeenkomst werd geen rekening gehouden met de voorafgaande diensttijd. Op grond van een besluit van het rectoraat van 08.11.2011 werd besloten om de voorafgaande diensttijd voor 4 jaar in aanmerking te nemen. Ten aanzien van verzoekster werd overeenkomstig dit besluit met inschaling met terugwerkende kracht vanaf 01.10.2010 vier jaar aan voorafgaande diensttijd in aanmerking genomen. Verzoekster vordert van verweerster de betaling van €2.727,20, te vermeerderen met rente, als ontbrekende beloning voor de periode van 13.06.2014 – 13.08.2015. Zij voert aan dat de bepalingen van de kader-cao op haar arbeidsverhouding van toepassing zijn. Indien ten aanzien van verzoekster in totaal 13,5 jaar in aanmerking zouden zijn genomen, dan zou zij hoger zijn ingeschaald. Bij het bestreden vonnis heeft het Arbeits- und Sozialgericht Wien de vordering afgewezen. Hiertegen heeft verzoekster bij de verwijzende rechter hoger beroep ingesteld. Het onderscheid dat wordt gemaakt tussen bij verschillende werkgevers vervulde tijdvakken van arbeid belemmert het vrije verkeer van werknemers binnen de Unie, aldus verzoekster. Verweerster betwist de rekenkundige juistheid van de vordering en de inaanmerkingneming van slechts vier jaar in plaats van 13,5 jaar niet. Volgens verweerster houden de Unierechtelijke voorschriften niet in dat voorafgaande diensttijd in elke omvang moet worden in aanmerking genomen. Bij verweerster zou sprake zijn van een plafond van vier jaar voor de inaanmerkingneming van voorafgaande diensttijd, waarbij geen onderscheid wordt gemaakt of deze diensttijd aan binnen- of buitenlandse universiteiten is vervuld.

Overweging:

Ingevolge de onderliggende collectieve arbeidsovereenkomst wordt beroepsrelevante voorafgaande diensttijd, ongeacht of deze bij verweerster of bij een andere binnen- of buitenlandse in een lidstaat van de Europese Unie gevestigde werkgever is vervuld, slechts voor een beperkte duur in aanmerking genomen. Van directe discriminatie is geen sprake. Niettemin rijst de vraag of het bereiken van hogere beloningsschalen in geval van langere diensttijd bij verweerster gelet op de zeer beperkte inaanmerkingneming van de voorafgaande diensttijd die bij verschillende werkgevers in de Europese Unie is vervuld, indirecte discriminatie in de zin van artikel 45 VWEU juncto artikel 7(1) van de verordening uitmaakt, dan wel een beperking als bedoeld in artikel 45 VWEU. Zo ja, dan moet de vraag naar de rechtvaardiging ervan worden beantwoord.

Prejudiciële vragen:

1. Moet het Unierecht, in het bijzonder artikel 45 VWEU, artikel 7, lid 1, van verordening (EU) nr. 492/2011 van het Europees Parlement en de Raad van 5 april 2011 betreffende het vrije verkeer van werknemers binnen de Unie, alsmede de artikelen 20 en 21 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, aldus worden uitgelegd dat het zich verzet tegen een regeling volgens welke de beroepsrelevante voorafgaande diensttijd van een lid van het docentencorps van de universiteit Wenen enkel in aanmerking kan worden genomen voor een totale duur van drie of vier jaar, ongeacht of het om tijdvakken van arbeid in dienst van de universiteit Wenen of van andere binnen- of buitenlandse universiteiten of vergelijkbare instellingen gaat?

2. Is een beloningssysteem dat niet voorziet in de volledige inaanmerkingneming van de beroepsrelevante voorafgaande diensttijd maar tegelijkertijd een hogere beloning verbindt aan de duur van tewerkstelling bij dezelfde werkgever, in strijd met het vrije verkeer van werknemers van artikel 45, lid 2, VWEU en artikel 7, lid 1, van verordening (EU) nr. 492/2011 van het Europees Parlement en de Raad van 5 april 2011 betreffende het vrije verkeer van werknemers binnen de Unie?

Aangehaalde (recente) jurisprudentie: Salzburger Landeskliniken C-514/12; De Clerq C-315/13; Hennigs en Mai C-297/10 en C-298/10; Hörnfeldt C-141/11; Köbler C-224/01; Marhold C-178/04.

Specifiek beleidsterrein: SZW; BZK