C-704/17 D. H.

C-704/17 D. H.

Prejudiciële hofzaak

Zie bijlage rechts voor de verwijzingsuitspraak, en klik hier voor het volledige dossier van het Hof van Justitie.

Termijnen: Motivering departement:    23 februari 2018
Schriftelijke opmerkingen:                    9 april 2018

Trefwoorden: asiel; vrijheidsbeneming

Onderwerp:

-           Richtlijn 2013/33/EU van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2013 tot vaststelling van normen voor de opvang van verzoekers om internationale bescherming;
-           Verordening (EU) nr. 604/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2013 tot vaststelling van de criteria en instrumenten om te bepalen welke lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van een verzoek om internationale bescherming dat door een onderdaan van een derde land of een staatloze bij een van de lidstaten wordt ingediend;
-           Richtlijn 2008/115/EG van het Europees Parlement en de Raad van 16 december 2008 over gemeenschappelijke normen en procedures in de lidstaten voor de terugkeer van onderdanen van derde landen die illegaal op hun grondgebied verblijven;

Feiten:

Verzoeker (D. H.) is onderdaan van Belarus. Op 20.03.2017 heeft hij zich bij een snelwegcontrole geïdentificeerd met vervalste Bulgaarse papieren. Na nader onderzoek bleek dat verzoeker op het Tsjechische grondgebied woonachtig was zonder over een geldig reisdocument en een verblijfstitel te beschikken. De bevoegde instanties hebben op grond van de wet betreffende het verblijf van vreemdelingen op het grondgebied van de Tsjechische Republiek (hierna: wet) tegen verzoeker een administratieve verwijderingsbeschikking uitgevaardigd en hem tegelijkertijd een inreisverbod voor het grondgebied van de lidstaten van de EU voor de duur van drie jaar opgelegd, met het oog waarop zij hem voor een periode van 90 dagen in bewaring hebben gesteld. Verzoeker heeft daarop een verzoek om internationale bescherming op het Tsjechische grondgebied ingediend. Verweerder heeft hem derhalve bij besluit van 28.03.2017 opnieuw in bewaring gesteld overeenkomstig de asielwet. Als motief voor de bewaring voerde verweerder (Ministerie van Binnenlandse Zaken) aan dat verzoeker het verzoek opzettelijk, in de zin van § 46a(1)e van de asielwet, had ingediend met als enige doel om zijn verblijf te legaliseren en verwijdering te voorkomen. Verzoeker heeft tegen dat besluit beroep ingesteld. De regionale rechter heeft het beroep ten gronde onderzocht en bij uitspraak van 04.07.2017 ongegrond verklaard. Verzoeker heeft tegen die uitspraak beroep in cassatie ingesteld en vordert vernietiging van de uitspraak van de regionale rechter. Verweerder heeft in zijn opmerkingen over het cassatieberoep aan de hoogste bestuursrechter meegedeeld dat verzoeker zich niet langer in bewaring bevindt. Verzoeker heeft op 05.04.2017 zijn verzoek om internationale bescherming ingetrokken, waarna hij op 05.05.2017 vrijwillig naar Belarus is afgereisd. Verweerder heeft gerefereerd aan de gewijzigde §46a(9) van de asielwet, die sinds 15.08.2017 van kracht is en volgens welke de beëindiging van de bewaring een grond is voor de beëindiging van de rechterlijke procedure inzake de toetsing van de bewaring van een persoon die om internationale bescherming heeft verzocht. Verweerder is dan ook van mening dat de cassatieprocedure moet worden stopgezet.

Overweging:

De vraag waarom het in deze zaak draait, is of het mogelijk is dat overeenkomstig de sinds 15.08.2017 van kracht zijnde versie van § 46a(9) van de asielwet de bij de hoogste bestuursrechter aanhangige procedure inzake de toetsing van de rechtmatigheid van de bewaring van een persoon die om internationale bescherming heeft verzocht, wordt stopgezet alleen omdat die bewaring inmiddels is beëindigd.

Prejudiciële vraag:

Moet artikel 9 van richtlijn 2013/33/EU van het Europees Parlement en de Raad gelezen in samenhang met de artikelen 6 en 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, aldus worden uitgelegd dat het in de weg staat aan een nationale wettelijke regeling die het voor de Nejvyšší správní soud (hoogste bestuursrechter, Tsjechië) onmogelijk maakt om een rechterlijke beslissing inzake de bewaring van een vreemdeling te toetsen nadat die vreemdeling uit bewaring is vrijgelaten?

Aangehaalde (recente) jurisprudentie: J.N. C-601/15 PPU; Peterbroeck C-312/93; Factortame I C-213/892; Al Chodor C-528/15; Rewe 33/76; Van Schijndel en Van Veen C-430/93 en C-431/93.

Specifiek beleidsterrein: JenV; JenV-dmb