C-706/17 Achema e.a.

Prejudiciële hofzaak

Zie bijlage rechts voor de verwijzingsuitspraak, en klik hier voor het volledige dossier van het Hof van Justitie.

Termijnen: Motivering departement:    13 maart 2018
Schriftelijke opmerkingen:                    27 april 2018

Trefwoorden: staatssteun; mededinging; energie

Onderwerp:

-           VWEU, artikelen 107(1), 106(2) en artikel 108(3);
-           Richtlijn 2009/72/EG van het Europees Parlement en de Raad van 13 juli 2009 betreffende gemeenschappelijke regels voor de interne markt voor elektriciteit en houdende intrekking van richtlijn 2003/54/EG;
-           Mededeling van de Commissie betreffende de toepassing van de staatssteunregels van de Europese Unie op voor het verrichten van diensten van algemeen economisch belang verleende compensatie (2012/C 8/02);

Feiten:

De verzoekende partijen zijn bedrijven die geregistreerd en actief zijn in Litouwen. Zij exploiteren onder andere warmtekrachtkoppelingsinstallaties. De daarmee opgewekte elektriciteit wordt gebruikt om in hun eigen behoeften te voorzien of geleverd aan rechtspersonen die binnen hun gebieden actief zijn.  Elektriciteitstekorten worden opgevangen door elektriciteit in te kopen bij onafhankelijke leveranciers. Op grond van de geldende nationale wetgeving moeten de verzoekers betalen voor diensten van algemeen belang in de elektriciteitssector. De bedragen worden berekend op basis van de hoeveelheid elektriciteit die zij zelf opwekken of die wordt ingekocht bij leveranciers en waarmee zij in hun eigen behoeften voorzien. De prijs voor deze diensten (DAB-prijs) per kalenderjaar wordt vastgesteld door de NCEP (nationale commissie voor prijsregulering en energietoezicht, de verweerder), na een beoordeling van de financiële behoeften voor DAB-levering gedurende de desbetreffende periode. In haar besluit van 11.10.2013 heeft de NCEP de DAB-gelden voor 2014 vastgesteld voor elektriciteitsondernemingen die diensten van algemeen belang leveren (DABleveranciers) alsmede het DAB-tarief voor (eind)verbruikers van elektriciteit in Litouwen. Verzoekers hebben de bestuursrechter in eerste aanleg verzocht om nietigverklaring van delen van dat besluit. In zijn uitspraak van 09.02.2016 heeft de bestuursrechter in eerste aanleg het beroep van de verzoekende partijen ongegrond verklaard. Verzoekers hebben hogere voorziening ingesteld bij de verwijzende rechter met het verzoek de uitspraak van de bestuursrechter in eerste aanleg te vernietigen en een nieuwe uitspraak te doen.

Overweging:

In onderhavige zaak moet worden nagegaan of de DAB-regeling zoals vastgelegd in nationale regelgeving, met inbegrip van het bestreden besluit, moet worden beschouwd als staatssteun zoals bepaald in het VWEU. Indien wordt vastgesteld dat de DAB-regeling of een deel daarvan staatssteun in de zin van artikel 107(1) VWEU vormt die niet bij de Europese Commissie is aangemeld, moet worden erkend dat de DAB-prijs of een deel daarvan die de verzoekende partijen in 2014 in rekening is gebracht, onrechtmatig  (ongerechtvaardigd) is.

Prejudiciële vragen:

Moet het wetgevingskader voor het verrichten van diensten van algemeen belang (DAB’s) in de elektriciteitssector en de financiering daarvan (compensatie) (DAB-regeling) – zoals vastgelegd in de Litouwse wet inzake elektriciteit, in de Litouwse wet inzake energie uit hernieuwbare bronnen, in de Litouwse wet inzake de integratie van het elektriciteitssysteem in Europese elektriciteitssystemen, in de Litouwse wet ter uitvoering van de wet tot wijziging en aanvulling van de artikelen 2, 11, 13, 14, 16, 20 en 21 van de wet inzake energie uit hernieuwbare bronnen en in de wettelijke uitvoeringsmaatregelen daarbij, waaronder de procedure voor het verrichten van diensten van algemeen belang in de elektriciteitssector, zoals goedgekeurd bij resolutie nr. 916 van de regering van de Republiek Litouwen van 18 juli 2012, de procedure voor het beheer van gelden voor diensten van algemeen belang in de elektriciteitssector, zoals goedgekeurd bij resolutie nr. 1157 van de regering van de Republiek Litouwen  van 19 september 2012, enz. – zoals van kracht in 2014, of een deel daarvan, worden beschouwd als staatssteun (een steunregeling) in de zin van artikel 107, lid 1, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, met inbegrip van de volgende vragen:
– Moet artikel 107, lid 1, VWEU in omstandigheden zoals in onderhavige zaak aldus worden uitgelegd dat DAB-gelden zijn aan te merken als staatsmiddelen?
– Moet artikel 107, lid 1, VWEU aldus worden uitgelegd dat een geval waarin netwerkexploitanten (ondernemingen) worden verplicht om elektriciteit tegen een vaste prijs (tarief) af te nemen bij elektriciteitsproducenten en/of de elektriciteit te balanceren, en de door netwerkexploitanten geleden verliezen ten gevolge van die verplichting worden vergoed uit gelden die mogelijk zijn aan te merken als staatsmiddelen, niet is aan te merken als steunverlening aan elektriciteitsproducenten met staatsmiddelen?
– Moet artikel 107, lid 1, VWEU aldus worden uitgelegd dat de volgende vormen van steun in omstandigheden zoals in onderhavige zaak zijn aan te merken als selectieve steun en/of steun die het handelsverkeer tussen lidstaten ongunstig kan beïnvloeden: steun aan een onderneming die een project van strategisch belang ten uitvoer legt, zoals NordBalt; steun aan ondernemingen die zich toeleggen op het waarborgen van de elektriciteitsvoorziening gedurende een bepaalde periode; steun als vergoeding voor verliezen die ten gevolge van de marktsituatie daadwerkelijk door personen worden geleden, zoals de ontwikkelaars van fotovoltaïsche installaties om wie het hier gaat, doordat de Staat weigert zijn verbintenissen na te komen (op grond van wijzigingen in nationale regelgeving); steun aan ondernemingen (netwerkexploitanten) als vergoeding voor reële verliezen die zij hebben geleden door te voldoen aan de verplichting om elektriciteit tegen een vast tarief af te nemen bij elektriciteitsproducenten die diensten van algemeen belang verrichten en om de elektriciteit te balanceren?
– Moet artikel 107, lid 1, VWEU, zoals toegepast in samenhang met artikel 106, lid 2, VWEU, aldus worden uitgelegd dat de desbetreffende DABregeling (of een deel daarvan) in omstandigheden zoals in onderhavige zaakmoet worden geacht te voldoen aan de criteria in de punten 88 tot en met 93 van het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 24 juli 2003 in Altmark Trans en Regierungspräsidium Magdeburg (C-280/00)?
– Moet artikel 107, lid 1, VWEU aldus worden uitgelegd dat in omstandigheden zoals in onderhavige zaak van de DAB-regeling (of een deel daarvan) moet worden aangenomen dat zij de mededinging vervalst of dreigt te vervalsen?

Aangehaalde (recente) jurisprudentie: Lucchini C-119/05; CELF C-199/06; Deutsche Lufthansa C-284/12; FNCE C-354/90; Transalpine Ölleitung in Österreich C-368/04; Traghetti del Mediterraneo C-173/03; OTB Bank C-672/13; Klausner Holz C-505/14; Deutsche Post/Commissie C-399/08; Viasat/Commissie C-660/15; Government of Gibraltar

en Verenigd Koninkrijk/Commissie C-106/09 P en C-107/09 P; Commissie/Nederland C-279/08 P;  Frankrijk/Commissie C-482/99; Association Vent De Colère! Fédération nationale e.a. C 262/12; Pearle e.a. C-345/02 ; PreussenElektra C-379/98 ; ENEA C-329/15; Doux Élevage C-677/11; Unicredito Italiano C-148/04; Giuseppe Atzeni e.a. C-346/03 en C-529/03; Vervloet e.a. C-76/15; Essent Netwerk C-206/06; AITEC e.a./Commissie T-447/93 JT; Pavlov e.a. C-180/98-C184/98; British Aggregates Association/Commissie C-487/06 P; Italië/Commissie C-305/89; Asteris e.a./Griekenland 106/87–120/87; Orange/Commissie C-211/15 P.

Specifiek beleidsterrein: EZK