C-708/17 EVN Bulgaria Toplofikatsia e.a.

C-708/17 EVN Bulgaria Toplofikatsia e.a.

Prejudiciële hofzaak

Zie bijlage rechts voor de verwijzingsuitspraak, en klik hier voor het volledige dossier van het Hof van Justitie.

Termijnen: Motivering departement:    27 februari 2018
Schriftelijke opmerkingen:                    13 april 2018

Trefwoorden: energiediensten;

Onderwerp:

-           Richtlijn 2006/32/EG van het Europees Parlement en de Raad van 5 april 2006 betreffende energie-efficiëntie bij het eindgebruik en energiediensten en houdende intrekking van richtlijn 93/76/EEG van de Raad;
-           Richtlijn 2012/27/EU van het Europees Parlement en de Raad van 25 oktober 2012 betreffende energie-efficiëntie, tot wijziging van richtlijnen 2009/125/EG en 2010/30/EU en houdende intrekking van de richtlijnen 2004/8/EG en 2006/32/EG;
-           Richtlijn 2011/83/EU van het Europees Parlement en de Raad van 25 oktober 2011 betreffende consumentenrechten, tot wijziging van richtlijn 93/13/EEG van de Raad en van richtlijn 1999/44/EG van het Europees Parlement en de Raad en tot intrekking van richtlijn 85/577/EEG van de Raad en van richtlijn 97/7/EG van het Europees Parlement en de Raad;
-           Richtlijn 2005/29/EG van het Europees Parlement en de Raad van 11 mei 2005 betreffende oneerlijke handelspraktijken van ondernemingen jegens consumenten op de interne markt en tot wijziging van richtlijn 84/450/EEG van de Raad, richtlijnen 97/7/EG, 98/27/EG en 2002/65/EG van het Europees Parlement en de Raad en van verordening (EG) nr. 2006/2004 van het Europees Parlement en de Raad (richtlijn oneerlijke handelspraktijken);

Feiten:

Verzoekster (EVN Bulgaria Toplofikatsia) vordert 266,25 Leva (BGN), vermeerderd met vertragingsrente van verweerster voor de levering van warmte-energie van 01.11.2012 t/m 30.04.2015. Op aanvraag van verzoekster vaardigde de rechter in eerste aanleg een betalingsbevel voor deze vordering uit dat verweerster echter betwistte. Vervolgens heeft verzoekster de hier te onderzoeken rechtsvordering tot vaststelling van het bestaan van haar schuldvordering ingesteld. Verzoekster betoogt dat verweerster een koopwoning bezit in een gebouw dat op het stadsverwarmingsnet is aangesloten en dat zij bijgevolg stadswarmteklant is op grond van artikel 53 van de energiewet, de overeenkomst over de aansluiting van het gebouw op het stadsverwarmingsnet en de algemene voorwaarden van het stadsverwarmingsbedrijf.  Ter nakoming van haar verbintenissen zou verzoekster warmte-energie aan het gebouw hebben geleverd voor een totale waarde van 266,25 BGN. Verweerster zou het verschuldigde bedrag niet hebben betaald. Verweerster verwerpt de vordering en voert aan dat er geen verbintenisrechtelijke rechtsbetrekking tussen partijen bestaat. Bovendien zouden er geen bewijsstukken zijn voor de daadwerkelijk verbruikte hoeveelheid warmte-energie. Daarnaast betwist zij de betrouwbaarheid van de warmtemeter. Ook betwist zij de rechtmatigheid van de berekening en uitsplitsing van de geleverde hoeveelheden warmte-energie aan het onderstation. Verweerster betwist het in de rekeningen opgegeven verbruik en voert aan dat het niet zou overeenstemmen met het daadwerkelijke energieverbruik, waarmee inbreuk op artikel 13(2) van richtlijn 2006/32/EG zou zijn gemaakt.

Overweging:

Van belang voor de juiste beslechting van dit rechtsgeding is het antwoord op de vraag of artikel 13(2) van richtlijn 2006/32 respectievelijk artikel 10(1) van richtlijn 2012/27 aldus moeten worden uitgelegd dat zij stadsverwarmingsbedrijven de mogelijkheid ontzeggen om verbruikte warmte-energie, aangeleverd door installaties in gebouwen in mede-eigendom die op stadsverwarming zijn aangesloten, aan te rekenen op basis van een methode die in een nationale wet is vastgesteld en die voorschrijft dat de hoeveelheid warmteenergie die door de installatie van het gebouw wordt aangeleverd, naar verhouding van de verwarmbare volumes van de koopwoningen volgens de plattegrond wordt vastgesteld, zonder daarbij rekening te houden met de daadwerkelijk aangeleverde hoeveelheid warmte-energie in de koopwoning. Voorts is de verwijzende rechter van oordeel dat de uitlegging van artikel 27 van richtlijn 2011/83 van belang is voor de juiste beslechting van dit rechtsgeding, aangezien op deze wijze vastgesteld wordt welke persoon als partij bij een met het stadsverwarmingsbedrijf gesloten contract voor de levering van warmte-energie die via een installatie in een gebouw in mede-eigendom wordt aangeleverd, de materieel rechthebbende is.

Prejudiciële vragen:

1. Staat artikel 13, [lid] 2, van richtlijn 2006/32/EG van het Europees Parlement en de Raad van 5 april 2006 in de weg aan de mogelijkheid voor het stadsverwarmingsbedrijf om de vergoeding voor verbruikte warmte-energie, aangeleverd door de installatie van een gebouw in mede-eigendom die op stadsverwarming is aangesloten, in rekening te brengen naar verhouding van de verwarmbare volumes van de koopwoningen volgens de plattegrond van het gebouw, zonder daarbij rekening te houden met de daadwerkelijke hoeveelheid afgegeven warmte-energie in de individuele koopwoningen?

2. Is een nationale regeling die consumenten die als woningeigenaars in een gebouw aan regels van mede-eigendom onderworpen zijn, ertoe verplicht om de vergoeding voor de niet afgenomen maar door de – op stadsverwarming aangesloten – installatie van het gebouw aangeleverde warmte-energie te betalen, wanneer zij van de benutting van warmte-energie zijn afgestapt door de verwarmingstoestellen in hun woning buiten gebruik te stellen of de verwarmingstoestellen op hun verzoek door werknemers van het stadsverwarmingsbedrijf technisch onklaar te laten maken zodat ze geen warmte meer afgeven, verenigbaar met artikel 27 van richtlijn 2011/83/EU?

3. Kan een dergelijke nationale regeling worden aangemerkt als een oneerlijke handelspraktijk in de zin van richtlijn 2005/29/EG van het Europees Parlement en de Raad van 11 mei 2005 betreffende oneerlijke handelspraktijken van ondernemingen jegens consumenten op de interne markt en tot wijziging van richtlijn 84/450/EEG van de Raad, richtlijnen 97/7/EG, 98/27/EG en 2002/65/EG van het Europees Parlement en de Raad en van verordening (EG) nr. 2006/2004 van het Europees Parlement en de Raad?

Aangehaalde (recente) jurisprudentie: /

Specifiek beleidsterrein: EZK