C-712/17 EN.SA.

C-712/17 EN.SA.

Prejudiciële hofzaak

Zie bijlage rechts voor de verwijzingsuitspraak, en klik hier voor het volledige dossier van het Hof van Justitie.

Termijnen: Motivering departement:    19 februari 2018
Schriftelijke opmerkingen:                    5 april 2018

Trefwoorden: btw; fiscale neutraliteit

Onderwerp:
-           Zesde Richtlijn 77/388/EEG van de Raad van 17 mei 1977 betreffende de harmonisatie van de wetgevingen der Lid- Staten inzake omzetbelasting - Gemeenschappelijk stelsel van belasting over de toegevoegde waarde: uniforme grondslag;

Feiten:

De belastingdienst (verweerder) heeft naheffingsaanslagen voor de belastingjaren 2009 en 2010 opgelegd aan verzoeker (EN.SA). Met deze aanslagen heeft de belastingdienst geweigerd om btw-aftrek toe te kennen voor transacties in verband met de levering van elektrische energie, die objectief worden geacht niet te bestaan omdat zij zijn verricht om in haar boekhouding hoge waarden te kunnen tonen met het enige doel toegang tot financieringen bij banken te krijgen. Voor deze louter boekhoudkundige, naar beweerd in werkelijkheid niet bestaande transacties zijn aanslagen voor verhoogde btw, rente en boetes opgelegd ter hoogte van €47.618.491 voor het jaar 2009 en van €22.001.078 voor het jaar 2010. De rechter in eerste aanleg heeft de twee beroepen die verzoeker had ingesteld afgewezen. Verzoeker ging hierop in hoger beroep. In hoger beroep heeft verzoeker onder andere aangevoerd dat de fiscus niet is benadeeld aangezien de verschuldigde belastingen regelmatig zijn betaald, en de louter als boete bedoelde nietaftrekbaarheid van de btw die in dit geding aan de orde is, in strijd is met de belastingneutraliteit en met de communautaire beginselen. De fictieve verkoop door middel van niet-bestaande transacties diende om een boekhouding te kunnen presenteren waarmee bij kredietinstellingen krediet kon worden verkregen. De belastingdienst heeft in herinnering gebracht dat de Corte di cassazione in meerdere uitspraken heeft bevestigd dat de gebruiker van facturen voor niet-bestaande onderliggende transacties geen btw kan aftrekken, terwijl de btw tegelijkertijd op grond van het beginsel dat de belastingschuld ontstaat door uitreiking van een factuur, verschuldigd is door de opsteller van de factuur.

Overweging:

De verwijzende rechter vraagt zich af – met betrekking tot het specifieke onderhavige geval van koop en verkoop waarbij het beweerdelijk om schijntransacties gaat – of het in overeenstemming met de communautaire beginselen is dat de btw zowel kan worden gevorderd van de verkoper, die ze heeft betaald en na een jaar niet meer kan terugkrijgen door ze in aftrek te brengen, als van de koper, die geen voorbelasting kan aftrekken. Daarvan is sprake bij alle opeenvolgende passages tussen de verschillende vennootschappen, die volgens het door de belastingdienst geschetste beeld worden afgesloten met de ogenschijnlijke “terugkoop” door hetzelfde rechtssubject dat de energie ogenschijnlijk oorspronkelijk heeft verkocht. Dit feit op zich brengt mee dat, aangezien de overdrachten binnen een kring plaatsvonden, elk belastingvoordeel wordt geneutraliseerd en de fiscus niet wordt benadeeld. Bij gebreke van fraude moet volgens de verwijzende rechter het meerdere malen door het Hof aangehaalde beginsel van fiscale neutraliteit prevaleren, aangezien er hier, mocht er al sprake zijn van fictieve overeenkomsten, geen sprake kan zijn van de zogeheten “carrouselfraude”.

Prejudiciële vragen:

Is in geval van als fictief beschouwde handelingen die de fiscus geen nadeel hebben berokkend en de belastingplichtige geen belastingvoordeel hebben opgeleverd, de nationale regeling die volgt uit de toepassing van artikel 19 (Aftrek) en artikel 21, lid 7, (Facturering van handelingen) van presidentieel decreet 633 van 26 oktober 1972 en van artikel 6, lid 6, van wetsdecreet nr. 471 van 18 december 1997 (Schending van verplichtingen betreffende documentatie, registratie en vaststelling van handelingen), in overeenstemming met de door het Hof van Justitie ontwikkelde communautaire beginselen op het gebied van btw, aangezien de gelijktijdige toepassing van de nationale bepalingen tot gevolg heeft:
a) dat de belasting die de koper over de aankopen heeft betaald voor elke litigieuze transactie die hetzelfde voorwerp betreft en dezelfde heffingsgrondslag heeft, steeds weer niet-aftrekbaar is;
b) dat aan de zijde van de verkoper belasting wordt geheven en moet worden betaald (en terugvordering van onverschuldigd betaalde belasting is uitgesloten) met betrekking tot de overeenkomstige parallelle verkooptransacties die eveneens als fictief worden beschouwd;
c) dat een boete wordt opgelegd gelijk aan het bedrag van de nietaftrekbaar geachte belasting over de verkooptransacties?

Aangehaalde (recente) jurisprudentie: Kittel en Recolta Recycling C-439/04 en C-440/04;

Specifiek beleidsterrein: FIN-fiscaal