C-713/17

Prejudiciële hofzaak

Zie bijlage rechts voor de verwijzingsuitspraak, en klik hier voor het volledige dossier van het Hof van Justitie.

Termijnen: Motivering departement:    13 februari 2018
Schriftelijke opmerkingen:                    30 maart 2018

Trefwoorden: asiel; uitkering; rechtstreekse werking richtlijn

Onderwerp:

-           Richtlijn 2011/95/EU van het Europees Parlement en de Raad van 13 december 2011 inzake normen voor de erkenning van onderdanen van derde landen of staatlozen als personen die internationale bescherming genieten, voor een uniforme status voor vluchtelingen of voor personen die in aanmerking komen voor subsidiaire bescherming, en voor de inhoud van de verleende bescherming (herschikking);

Feiten:

Verzoeker (Ayubi) is een Afghaans onderdaan en verliet Afghanistan samen met zijn familie in 2016. Bij zijn binnenkomst in Oostenrijk diende hij een verzoek om internationale bescherming in, dat bij besluit van 30.09.2016 werd ingewilligd. Als gevolg daarvan kregen verzoeker en zijn gezin de status van asielgerechtigden gepaard met een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd. Op 09.03.2017 diende verzoeker een aanvraag in voor bijstand. De verwerende instantie verleende verzoeker voor hem en zijn gezin de verlangde bijstand in de vorm van maandelijkse uitkeringen. Het bedrag dat verzoeker en zijn gezin wordt toegekend, is echter lager dan het bedrag dat wordt ontvangen door Oostenrijkse onderdanen en asielgerechtigden met een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd. Het bij de verwijzende rechter ingestelde beroep, waarmee met name wordt geklaagd dat de vermindering van de uitkeringen in strijd is met de verplichting van artikel 29(1) van richtlijn 2011/95 om asielgerechtigden op gelijke voet met de eigen onderdanen te behandelen op het gebied van sociale bijstand en medische zorg, is hiertegen gericht.

Overweging:

Door de massale toestroom van asielzoekers naar Oostenrijk in 2015 is de asielwetgeving gewijzigd waardoor in §3(4) AsylG 2005 nu is bepaald dat personen aan wie de status van asielgerechtigde wordt toegekend, een verblijfsvergunning voor een periode van drie jaar krijgen. Deze wordt vervolgens voor onbepaalde tijd verlengd  indien aan bepaalde voorwaarden is voldaan. Deze regeling is in overeenstemming met artikel 24 van richtlijn 2011/95. Onder verwijzing naar deze nieuwe bepaling van het AsylG 2005 heeft de wetgever de bepalingen betreffende de toekenning van de uitkeringen gewijzigd waardoor o.a. asielgerechtigden met een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd lagere uitkeringen ontvangen dan de andere begunstigden (§4(3)Oö. BMSG. Tegen deze achtergrond ziet de verwijzende rechter zich geplaatst voor de vraag of artikel 29 van richtlijn 2011/95 rechtstreekse werking heeft.

Prejudiciële vragen:

1) Moet artikel 29 van richtlijn 2011/95/EU, op grond waarvan een lidstaat verplicht is personen die internationale bescherming genieten (in de lidstaat die deze bescherming heeft toegekend) de nodige sociale bijstand te verlenen zoals de onderdanen van de lidstaat deze ontvangen, aldus worden uitgelegd dat het voldoet aan de door het Hof van Justitie in zijn rechtspraak ontwikkelde criteria voor rechtstreekse werking?

2) Moet artikel 29 van richtlijn 2011/95/EU aldus worden uitgelegd, dat het in de weg staat aan een nationale bepaling die sociale bijstand in de vorm van een op de behoeften gebaseerd minimumniveau van bescherming uitsluitend volledig en dus in dezelfde mate als aan de eigen onderdanen van een lidstaat verleent aan asielgerechtigden met een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd, maar voorziet in een verlaging van de sociale bijstandsuitkeringen verbonden aan het op de behoeften gebaseerde minimumniveau van bescherming voor asielgerechtigden aan wie slechts tijdelijk verblijf is verleend, en die hen aldus wat de hoogte van de sociale bijstand betreft, gelijkstelt met personen met de subsidiairebeschermingsstatus?

Aangehaalde (recente) jurisprudentie: Alo en Osso C-443/14 en C-444/14.

Specifiek beleidsterrein: SZW; JenV-dmb