C-716/17 A

C-716/17 A

Prejudiciële hofzaak

Zie bijlage rechts voor de verwijzingsuitspraak, en klik hier voor het volledige dossier van het Hof van Justitie.

Termijnen: Motivering departement:    1 maart 2018
Schriftelijke opmerkingen:                    15 april 2018

Trefwoorden: insolventie; vrij verkeer van werknemers

Onderwerp:
-           VWEU artikel 45;
-           Verordening (EG) nr. 44/2001 van de Raad van 22 december 2000 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken;

Feiten:

Op 08.02.2017 diende A een verzoek om schuldsanering in bij de handelsrechter. Het verzoek heeft betrekking op schulden bij Deense schuldeisers in de periode vanaf 1999. In zijn verzoek heeft A verklaard dat de schuldeisers zowel openbare als particuliere schuldeisers zijn. A is een Deens staatsburger en werkt voor B in Denemarken; hij is ook onbeperkt belastingplichtig in Denemarken. Zijn woonadres is in Zweden. Bij beschikking van 06.04.2017 heeft de handelsrechter het verzoek verworpen op grond dat A niet onder de Deense rechtsmacht valt, aangezien “verzoeker geen beroepsactiviteit uitoefent en niet in Denemarken woonachtig is”. De handelsrechter heeft zich niet uitgesproken over de vraag of aan de materiële voorwaarden voor schuldsanering op grond van de Deense faillissementswet (konkurslov) was voldaan. Voor de verwijzende rechter is de enige vraag in deze zaak of A in verband met het verzoek om schuldsanering onder de Deense rechtsmacht valt. Aangezien dat niet het geval is onder de Deense bevoegdheidsregels inzake schuldsanering, komt dit waarschijnlijk doordat deze bevoegdheidsregels in strijd zijn met het Unierecht en doordat het Unierecht een verplichting oplegt om A onder de Deense rechtsmacht te laten vallen. Indien de verwijzende rechter op basis van dit verzoek om een prejudiciële beslissing tot de conclusie komt dat het verzoek om schuldsanering moet worden behandeld, kan de zaak worden terugverwezen naar de faillissementsafdeling van de handelsrechter voor een uitspraak over de vraag of A voldoet aan de voorwaarden voor schuldsanering.

Overweging:

De verwijzende rechter betwijfelt of artikel 45 VWEU zich verzet tegen de Deense bevoegdheidsregels, op grond waarvan in de praktijk alleen in Denemarken woonachtige schuldenaren in Denemarken een verzoek om schuldsanering kunnen indienen. Indien de Deense beperking niet gerechtvaardigd wordt geacht, betwijfelt de verwijzende rechter of artikel 45 VWEU in een horizontale situatie rechtstreekse werking heeft. In dat verband is de verwijzende rechter zich bewust van de rechtspraak van het Hof (C-281/98, Angonese). De verwijzende rechter vraagt zich echter af in welke gevallen artikel 45 VWEU rechtstreeks van toepassing kan zijn op particulieren, en of het dit kan zijn in zaken als de onderhavige zaak.

Prejudiciële vragen:

1) Staat artikel 45 VWEU, zoals uitgelegd in het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 8 november 2012 in zaak C-461/11, in de weg aan een bevoegdheidsregel als de Deense regel, die tot doel heeft te waarborgen dat de rechter die een schuldsaneringszaak behandelt, op de hoogte is van, en in zijn beoordeling rekening kan houden met de specifieke sociaaleconomische situatie waarin de schuldenaar en zijn gezin zich bevinden en zich waarschijnlijk ook in de toekomst zullen bevinden, en dat de beoordeling kan worden uitgevoerd volgens vooraf bepaalde criteria die bepalen wat in het kader van de schuldsaneringsregeling een aanvaardbare bescheiden levensstandaard kan worden geacht?

2) Indien het antwoord op vraag 1 luidt dat de beperking niet gerechtvaardigd kan worden geacht, wordt het Hof verzocht de volgende vraag te beantwoorden: Moet artikel 45 VWEU aldus worden uitgelegd dat het ook rechtstreekse werking heeft tussen particulieren in een situatie als de onderhavige, zodat particuliere schuldeisers moeten instemmen met een vermindering of volledige afschrijving van bedragen die hun zijn verschuldigd door een schuldenaar die naar een ander land is verhuisd?

Aangehaalde (recente) jurisprudentie: Radziejewski C-461/11; Angonese C-281/98; De Cuyper C-406/04; Tas-Hagen en Tas C-192/05.

Specifiek beleidsterrein: JenV