C-722/17

C-722/17

Prejudiciële hofzaak

Zie bijlage rechts voor de verwijzingsuitspraak, en klik hier voor het volledige dossier van het Hof van Justitie.

Termijnen: Motivering departement:    16 februari 2018
Schriftelijke opmerkingen:                    2 april 2018

Trefwoorden: insolventie

Onderwerp:

-           Verordening (EU) nr. 1215/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2012 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken;
-           Verordening (EG) nr. 805/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 21 april 2004 tot invoering van een Europese executoriale titel voor niet-betwiste schuldvorderingen;

Feiten:

Verweerder (C) en Isabel zijn woonachtig te Rome en waren levenspartners tot tenminste de lente van 2014. In 2010 hebben zij een huis in Villach gekocht en in het kadaster werd Isabel C. ingeschreven als enige eigenaar. Er werd opdracht gegeven tot uitgebreide herstelwerkzaamheden. De kosten van deze werkzaamheden hoger uit dan het budget en het kwam tot een betaalstop. Sinds 2013 voeren verzoekers (de aannemers R e.a.) daarom een procedure tegen Isabel. In 2014 verkregen zij toewijzende vonnissen. Isabel is in beroep gegaan tegen de beslissingen. Op 07.05.2014 heeft Isabel voor een rechter in Rome een schuld uit geldlening erkend ter hoogte van €349.772,95 en heeft zij zich bij gerechtelijke schikking ertoe verbonden dit bedrag binnen vijf jaar terug te betalen aan verweerder. Ook verbond Isabel zich ertoe voor deze vordering een hypotheek te laten inschrijven op de onroerende zaak in Villach. In juni 2014 is deze akte van schuldbekentenis opgesteld bij een notaris en tevens werd de hypotheek op de onroerende zaak in Villach gevestigd. Op 03.09.2015 is door de rechter in Rome de gerechtelijke schikking gewaarmerkt als Europese executoriale titel. Verweerder heeft in februari 2016 bij het Bezirksgericht Villach jegens Isabel een verzoek tot gedwongen verkoop van de onroerende zaak ingediend. In de herfst van 2016 is de onroerende zaak openbaar geveild voor de prijs van  €280.000,-. De volgorde van inschrijving in het kadaster leidt ertoe dat op grond van het in juni 2014 ingeschreven zekerheidsrecht de opbrengst aan verweerder toekomt. Om dit te voorkomen hebben verzoekers in juni 2016 tegen verweerder en Isabel C. een actio pauliana ingesteld voor de rechter. Deze vordering is door de rechter gezien de woonplaats van verweerders afgewezen wegens het ontbreken van internationale bevoegdheid. Tegelijkertijd hebben verzoekers bij het Bezirksgericht Villach, tijdens de zitting van 10.05.2017 inzake de verdeling van de opbrengst van de gedwongen veiling, Widerspruch (bezwaar tegen de executie) aangetekend en vervolgens Widerspruchsklage tegen verweerder ingesteld. Met deze Widerspruchsklage vorderen zij een verklaring voor recht dat de toewijzing aan verweerder van €279.980,43 in het verdelingsbesluit ongeldig is. Zij stellen dat Isabel een schadevergoedingsvordering heeft op verweerder ter hoogte van tenminste het bedrag van de lening, zodat hij geen vordering op haar meer heeft. De opdrachten zijn door verweerder aan de aannemers gegeven buiten medeweten van Isabel. De akte van schuldbekentenis en hypotheek is enkel schijn en heeft tot doel het verhaal van verzoekers op de onroerende zaak te voorkomen en te doen mislukken, aldus verzoekers. Wat betreft de bevoegdheid baseren verzoekers zich op artikel 24.5 van verordening 1215/2012. Verweerder heeft tegen de Widerspruchsklage de exceptie inzake het ontbreken van internationale bevoegdheid opgeworpen. Hij heeft aangestuurd op een prejudiciële procedure over de vraag of artikel 24.5 van de verordening al dan niet op de betrokken vordering van toepassing is. Ter aanvulling wees verweerder erop dat zijn zekerheidsrecht voorwerp is van een Europese executoriale titel, met als gevolg dat krachtens artikel 24 juncto artikel 21(2) van verordening 805/2004 de juistheid van zijn aanspraak in een andere lidstaat niet mag worden beoordeeld.

Overweging:

Naar de mening van de verwijzende rechter speelt bij de Widerspruchsklage, waarmee zeer verschillende gronden kunnen worden aangevoerd en, zoals uiteengezet, ook de actio pauliana kan worden uitgeoefend,
dezelfde vraag: moet de toetsing van bevoegdheid plaatsvinden aan de hand van de functie van de rechtsvordering in het algemeen of aan de hand van de werkelijk aangevoerde gronden?

Prejudiciële vragen:

1) Moet artikel 24, punt 5, van verordening (EU) nr. 1215/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2012 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken aldus worden uitgelegd dat de „Widerspruchsklageˮ (vordering tegen de executie) neergelegd in §232 van de Oostenrijkse Exekutionsordnung (Oostenrijkse wet op de executieprocedure), die kan worden ingesteld in geval van onenigheid over de verdeling van de opbrengst van de gerechtelijke veiling, binnen de werkingssfeer van deze bepaling valt en in het bijzonder ook in de situatie dat de vordering van de ene zekerheidsgerechtigde schuldeiser tegen de andere
a) berust op het argument dat diens door een zekerheidsrecht afgedekte vordering uit geldlening is tenietgegaan uit hoofde van een tegenvordering tot schadevergoeding van de schuldenaar, en
b) bovendien – evenals bij de actio pauliana - berust op het argument dat de grond voor het zekerheidsrecht voor deze lening zonder rechtsgevolg is wegens bevoordeling van schuldeisers?

2) (in het geval vraag 1 ontkennend wordt beantwoord): Moet artikel 24, punt 1, van verordening (EU) nr. 1215/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2012 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken aldus worden uitgelegd dat de „Widerspruchsklageˮ neergelegd in §232 van de Oostenrijkse Exekutionsordnung, die kan worden ingesteld in geval van onenigheid over de verdeling van de opbrengst van de gerechtelijke veiling, binnen de werkingssfeer van deze bepaling valt, en in het bijzonder ook in de situatie dat de vordering van de ene zekerheidsgerechtigde schuldeiser tegen de andere
a) berust op het argument dat diens door een zekerheidsrecht afgedekte vordering uit geldlening is tenietgegaan uit hoofde van een tegenvordering tot schadevergoeding van de schuldenaar, en
b) bovendien – evenals bij de actio pauliana - berust op het argument dat de grond voor het zekerheidsrecht voor deze lening zonder rechtsgevolg is wegens bevoordeling van schuldeisers?

Aangehaalde (recente) jurisprudentie: Reichert en Kockler C-261/90; Reichert en Kockler C-115/88; AS-Autoteile Service/Mahlé 220/84; Seagon C-339/07;

Specifiek beleidsterrein: JenV