C-724/17 Skanska Industrial Solutions e.a.

Prejudiciële hofzaak

Zie bijlage rechts voor de verwijzingsuitspraak, en klik hier voor het volledige dossier van het Hof van Justitie.

Termijnen: Motivering departement:    23 februari 2018
Schriftelijke opmerkingen:                    9 april 2018

Trefwoorden: mededingingsrecht;

Onderwerp:
-           VWEU artikel 101;
-           Richtlijn 2014/104/EU van het Europees Parlement en de Raad van 26 november 2014 betreffende bepaalde regels voor schadevorderingen volgens nationaal recht wegens inbreuken op de bepalingen van het mededingingsrecht van de lidstaten en van de Europese Unie;
-           Verordening (EG) nr. 1/2003 van de Raad van 16 december 2002 betreffende de uitvoering van de mededingingsregels van de artikelen 81 en 82 van het Verdrag;

Feiten:

In Finland bestond op de asfaltmarkt een nationale mededingingsregeling waarbij de betrokken partijen afspraken maakten met elkaar. De mededingingsregeling heeft met name schade berokkend aan gemeenten en aan de Staat. Rekwirante (Vantaan kaupunki) sloot met de bij de mededingingsregeling betrokken Lemminkäinen Oyj overeenkomsten over asfalteringswerkzaamheden voor jaren 1998-2001. Ten gevolge van de mededingingsregeling betaalde de stad voor deze werkzaamheden te hoge prijzen. Sata-Asfaltti Oy, Interasfaltti Oy en Asfalttineliö Oy waren bij de mededingingsregeling betrokken. Later werden deze vennootschappen beëindigd en hun enige aandeelhouders (verweerders) hebben het bedrijfskapitaal van hun dochterondernemingen overgenomen en de bedrijfsactiviteiten voortgezet. De mededingingsautoriteit verzocht op 31.03.2004 om oplegging van een geldboete aan zeven asfaltbedrijven. Dit verzoek werd definitief afgedaan bij een beslissing van de hoogste bestuursrechter van 29.09.2009, waarbij aan de vennootschappen geldboeten werden opgelegd. De hoogste bestuursrechter stelde vast dat het beginsel van economische opvolging, op grond waarvan een sanctie voor een mededingingsbeperking ook kan worden opgelegd aan een andere speler dan degene die zich feitelijk schuldig heeft gemaakt aan de inbreuk, in de rechtspraak van het Hof reeds is erkend sinds ten laatste 1975. Aan verweerders werd de geldboete opgelegd wegens de eigen gedragingen alsmede de gedragingen van de dochterondernemingen. Rekwirante heeft tegen verweerders alsmede tegen andere tot betaling van geldboeten veroordeelde vennootschappen bij de rechter in eerste aanleg vorderingen ingesteld waarbij zij van hen als hoofdelijk aansprakelijken een schadevergoeding voor de door haar betaalde hoge prijzen voor de asfalteringswerkzaamheden heeft geëist. Verweerders hebben ter bestrijding van de vordering onder meer aangevoerd dat zij niet verantwoordelijk zijn voor schade die is veroorzaakt door juridisch zelfstandige vennootschappen, en dat de schadeclaims hadden moeten worden ingesteld tegen de in de liquidatieprocedure beëindigde vennootschappen. De rechter in eerste aanleg veroordeelde verweerders tot betaling van schadevergoeding wegens hun eigen gedragingen alsmede wegens de gedragingen van de dochterondernemingen. Tegen het vonnis van de rechter in eerste aanleg is hoger beroep ingesteld. De rechter in hoger beroep heeft de vorderingen van rekwirante afgewezen voor zover deze tegen verweerders waren gericht wegens de gedragingen van de dochterondernemingen. De verwijzende rechter heeft de door rekwirante ingestelde hogere voorziening ontvankelijk verklaard voor wat betreft de vraag of verweerders onder de hierboven omschreven omstandigheden wegens een inbreuk door de dochterondernemingen op artikel 101 VWEU schadevergoeding dienen te betalen.

Overweging:

In het Unierecht bestaan er, ook met inaanmerkingneming van richtlijn 2014/104, geen bijzondere bepalingen over de vraag of een schadevordering wegens inbreuk op de mededingingsregels ook tegen anderen kan worden ingesteld dan het rechtssubject dat door de verboden gedraging schade heeft veroorzaakt. Ook het Hof heeft geen uitspraken gedaan waarin de uitbreiding van de kring van voor schadevergoeding aansprakelijke personen wordt verduidelijkt

Prejudiciële vragen:

1. Dient de vraag wie aansprakelijk is voor vergoeding van schade veroorzaakt door een gedraging die inbreuk maakt op artikel 101 VWEU, te worden beantwoord door rechtstreekse toepassing van dit artikel of aan de hand van de nationale regels?

2. Voor zover de schadeplichtigen rechtstreeks aan de hand van artikel 101 VWEU worden bepaald: zijn diegenen die onder het in deze bepaling genoemde begrip „onderneming” vallen, aansprakelijk voor vergoeding? Zijn op de bepaling van de schadeplichtigen dezelfde beginselen van toepassing als die welke het Hof in geldboetezaken heeft toegepast voor de bepaling van de in dat geval aansprakelijke personen en op grond waarvan aansprakelijkheid inzonderheid op de omstandigheid dat de betrokkene deel uitmaakt van dezelfde economische entiteit, of op economische continuïteit, kan berusten?

3. Voor zover de schadeplichtigen aan de hand van de nationale regels van de lidstaat worden bepaald: wordt het doeltreffendheidsvereiste van het Unierecht geschonden door een nationale regeling op grond waarvan een vennootschap die na verkrijging van alle aandelen van een vennootschap welke betrokken is bij een met artikel 101 VWEU strijdige mededingingsregeling, de betrokken vennootschap heeft beëindigd en haar bedrijfsactiviteiten heeft voortgezet, niet aansprakelijk is voor vergoeding van de schade die werd veroorzaakt door een de mededinging beperkende gedraging van de beëindigde vennootschap, ondanks het feit dat de verkrijging van een vergoeding van de beëindigde vennootschap in de praktijk onmogelijk of uiterst moeilijk zal zijn? Verzet het doeltreffendheidsvereiste zich ertegen dat het nationale recht van een lidstaat in die zin wordt uitgelegd dat als voorwaarde voor aansprakelijkheid voor schade wordt gesteld dat een omvorming van een onderneming zoals beschreven op onrechtmatige of kunstmatige wijze met het doel de verplichting tot schadevergoeding wegens inbreuk op de mededingingsregels te omzeilen of overigens op oneerlijke wijze heeft plaatsgevonden, of op zijn minst dat de vennootschap bij de uitvoering van de omzetting kennis had of had moeten hebben van de inbreuk op de mededingingsregels?

Aangehaalde (recente) jurisprudentie: Manfredi e.a. C-295/04–C-298/04; Europese Commissie tegen Parker Hannifin Manufacturing en Parker-Hannifin C-434/13 P; Akzo Nobel C-516/15 P; ETI e.a. C-280/06; Anic Partecipazioni C-49/92 P; Courage en Crehan C-453/99; Kone e.a. C-557/12.

Specifiek beleidsterrein: EZK

Gerelateerde documenten