C-85/18 CV

Prejudiciële hofzaak

Zie bijlage rechts voor de verwijzingsuitspraak, en klik hier voor het dossier van het Hof van Justitie (voor zover beschikbaar).

Termijnen: Motivering departement:    26 april 2018
Schriftelijke opmerkingen:                    12 juni 2018

Trefwoorden: familierecht; bevoegdheid

Onderwerp:

-           Verordening (EG) nr. 2201/2003 van de Raad van 27 november 2003 betreffende de bevoegdheid en de erkenning en tenuitvoerlegging van beslissingen in huwelijkszaken en inzake de ouderlijke verantwoordelijkheid, en tot intrekking van verordening (EG) nr. 1347/2000;

Feiten:

Partijen zijn Roemeense staatsburgers en woonden ongehuwd samen in Portugal waar zij op 29.10.2010 de ouders geworden van de minderjarige. Zij zijn uit elkaar gegaan en de moeder (verweerster, DU) is met een andere man, een Portugese staatsburger, gaan samenwonen. De minderjarige is in Portugal geboren en bezit de Portugese nationaliteit. DU heeft in Portugal een procedure ingesteld waarbij voorlopig is bepaald dat het kind zijn woonplaats bij zijn moeder heeft. In april 2016 is de vader (verzoeker, CV) echter samen met de minderjarige naar Roemenië teruggekeerd, zonder de toestemming van DU. DU heeft zich tot de bevoegde Portugese instanties gewend, die zich op hun beurt tot de Roemeense autoriteiten hebben gewend, wat heeft geleid tot de zaak bij de Tribunalul Bucureşti betreffende internationale kinderontvoering. Bij civiel vonnis heeft de Tribunalul Bucureşti het door de DU tegen CV ingestelde verzoek ingewilligd en de terugkeer van de minderjarige naar Portugal, zijn gewone verblijfplaats, gelast. Dat vonnis is definitief geworden door het arrest van de Curtea de Apel Bucureşti waarbij is geoordeeld dat het kind niet kan worden geacht zijn gewone verblijfplaats in Roemenië te hebben, aangezien de overbrenging van de minderjarige van Portugal naar Roemenië zonder de toestemming van zijn moeder, onwettig is. Op 21.04.2017 heeft CV bij de Judecătoria Oradea (de verwijzende rechter) het onderhavige beroep ingesteld en verzocht vast te stellen dat het kind zijn woonplaats in Roemenië heeft.

Overweging:

Aangezien DU haar woonplaats in het buitenland heeft en er dus sprake is van een grensoverschrijdend element, is verordening 2201/2003 van toepassing wat de bevoegdheid betreft om kennis te nemen van de zaak. Artikel 8 van die verordening bepaalt dat “ [t]er zake van de ouderlijke verantwoordelijkheid [...] de gerechten [bevoegd zijn] van de lidstaat op het grondgebied waarvan het kind zijn gewone verblijfplaats heeft op het tijdstip dat de zaak bij het gerecht aanhangig wordt gemaakt”. Op het tijdstip van de aanhangigmaking van de zaak bij de verwijzende rechter had de minderjarige zijn gewone verblijfplaats bij zijn vader in Oradea, Roemenië. Bij rechterlijke beslissingen van de Tribunalul Bucureşti en de Curtea de Apel Bucureşti is echter vastgesteld dat de overbrenging van de minderjarige van Portugal naar Roemenië onwettig was en dat de gewone verblijfplaats van de minderjarige zich in Portugal bevond. Daarom is een exceptie van territoriale onbevoegdheid van de Roemeense instanties tot beslechting van de zaak opgeworpen.
 
Prejudiciële vragen:

1. Moet het begrip gewone verblijfplaats van het kind in de zin van artikel 8, lid 1, van [verordening (EG) nr. 2201/2003 van de Raad van 27 november 2003 betreffende de bevoegdheid en de erkenning en tenuitvoerlegging van beslissingen in huwelijkszaken en inzake de ouderlijke verantwoordelijkheid, en tot intrekking van verordening (EG) nr. 1347/2000] aldus worden uitgelegd dat het overeenkomt met de plaats waar het kind in zekere mate is geïntegreerd in een sociale en familiale omgeving, ongeacht of op het grondgebied van een andere lidstaat een rechterlijke beslissing is gegeven na de verhuizing van het kind met zijn vader naar het grondgebied van de staat waar de minderjarige in die sociale en familiale omgeving is geïntegreerd? Of is in dat geval artikel 13 van verordening nr. 2201/2003 van toepassing, op grond waarvan de bevoegdheid wordt gebaseerd op de aanwezigheid van het kind?

2. Is het feit dat de minderjarige de nationaliteit bezit van de lidstaat waar hij zich met zijn vader heeft gevestigd en dat de ouders alleen de Roemeense nationaliteit bezitten, in dat geval relevant voor de bepaling van de gewone verblijfplaats?

Aangehaalde (recente) jurisprudentie:

Specifiek beleidsterrein: VenJ

Gerelateerde documenten