C-89/18

C-89/18

Prejudiciële hofzaak

Zie bijlage rechts voor de verwijzingsuitspraak, en klik hier voor het dossier van het Hof van Justitie (voor zover beschikbaar).


Termijnen: Motivering departement:    28 maart 2018
Schriftelijke opmerkingen:                    14 mei 2018

Trefwoorden: verblijfsvergunning; migratie; vrij verkeer

Onderwerp:
-           Richtlijn 2004/38/EG van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 betreffende het recht van vrij verkeer en verblijf op het grondgebied van de lidstaten voor de burgers van de Unie en hun familieleden;
-           Overeenkomst waarbij een associatie tot stand wordt gebracht tussen de Europese Economische Gemeenschap en Turkije, op 12 september 1963 te Ankara ondertekend door de Republiek Turkije enerzijds en de lidstaten van de EEG en de Gemeenschap anderzijds, en namens de Gemeenschap gesloten, goedgekeurd en bevestigd bij besluit 64/732/EEG van de Raad van 23 december 1963 (hierna: associatieovereenkomst);
-           Besluit nr. 1/80 van de Associatieraad van 19 september 1980 betreffende de ontwikkeling van de associatie (hierna: besluit nr. 1/80);
-           Aanvullend protocol, op 23 november 1970 te Brussel ondertekend en namens de Gemeenschap gesloten, goedgekeurd en bevestigd bij verordening (EEG) nr. 2760/72 van de Raad van 19 december 1972 (hierna: aanvullend protocol);

Feiten:

[A] is in Turkije geboren en is een Turks staatsburger. Op 24.05.1983 is zij met [B] gehuwd. Het paar had in Turkije samen vier kinderen. [A] en [B] zijn op 24.06.1998 gescheiden. Op 07.01.1999 is [B] gehuwd met een Duitse vrouw die in Denemarken verbleef. Op 06.07.1999 kreeg [B] een verblijfsvergunning in Denemarken als haar echtgenoot. Op 27.04.2006 werd de verblijfsvergunning een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd overeenkomstig de Deense regelgeving tot omzetting van artikel 16(2) van de richtlijn vrij verkeer. De gezamenlijke kinderen met [A] kregen een verblijfsvergunning in Denemarken in het kader van gezinshereniging. Op 25.06.2009 is [B] gescheiden van zijn Duitse echtgenote. Op 28.08.2009 zijn [A] en [B] opnieuw gehuwd in Denemarken. Op 03.09.2009 heeft [A] bij verweerder (Deense immigratiedienst) een aanvraag ingediend voor een verblijfsvergunning in Denemarken op grond van het huwelijk. [B] had een baan op het moment dat de aanvraag werd ingediend. Het Hof mag dus aannemen dat artikel 13 van besluit nr. 1/80 van toepassing is. Verweerder heeft op 26.05.2010 geweigerd de verblijfsvergunning af te geven op grond van §9 van de Deense vreemdelingenwet. Tegen die weigering werd een beroep ingesteld bij het ministerie, dat op 30.09.2010 een uitspraak heeft gedaan. Het ministerie bevestigde de beslissing dat aan [A] geen verblijfsvergunning in Denemarken kon worden afgegeven, omdat zij en haar echtgenoot niet voldeden aan het vereiste dat hun globale binding met Denemarken groter moest zijn dan hun globale binding met een ander land. Op 06.12.2013 heeft verweerder een nieuwe aanvraag van [A] tot gezinshereniging met [B] geweigerd. Bij beslissing van 26.03.2014 werd de weigering bevestigd door de bevoegde beroepsinstantie. Bovendien heeft verweerder op 01.12.2014 geweigerd een verblijfsvergunning af te geven op grond van het kader voor de associatieovereenkomst waar besluit nr. 1/80 deel van uitmaakt. Het ministerie heeft die beslissing op 24.08.2017 bevestigd. Op 10.03.2014 bracht [A] de zaak voor de rechter in eerste aanleg. Door de principiële vragen die door deze zaak worden opgeworpen, is de zaak verwezen naar de verwijzende rechter. De behandeling van de zaak is geschorst in afwachting van het arrest van het Hof in de zaak Genc. [A] heeft betoogd dat de arresten in de zaken Dogan en Genc duidelijk hebben gemaakt dat een beperking van de toegang tot gezinshereniging voor een Turks staatsburger die in Denemarken verblijft onder de standstillbepalingen valt die zijn vastgelegd in artikel 41(1) van het aanvullend protocol en artikel 13 van besluit nr. 1/80. Het staat buiten kijf dat §9 van de Deense vreemdelingenwet een nieuwe beperking vormt en de beslissing die over [A] is genomen, schendt artikel 13 van besluit nr. 1/80. Het ministerie spreekt dit tegen.

Overweging:

In de arresten Genc en Dogan heeft het Hof geoordeeld dat de standstillbepalingen over het vrije verkeer van werknemers in artikel 13 van besluit nr. 1/80 en over de vrijheid van vestiging in artikel 41(1) van het aanvullend protocol aldus moeten worden uitgelegd dat zij een lidstaat verbieden nieuwe beperkingen op de toegang tot gezinshereniging met kinderen of een echtgenoot uit Turkije in te voeren. Het is niet duidelijk of een regel zoals §9 van de Deense vreemdelingenwet ‘rechtvaardiging vindt in een dwingende reden van algemeen belang, geschikt is om de verwezenlijking van het nagestreefde legitieme doel te waarborgen en niet verder gaat dan nodig is voor het bereiken daarvan’. Bovendien is het niet duidelijk of een bindingsvereiste, dat voornamelijk is gericht op de duur van de periode die het gehuwde paar en de migrerende werknemer (de referentiepersoon) in het land van herkomst (Turkije) enerzijds en in de lidstaat (Denemarken) anderzijds hebben doorgebracht, geschikt is om het nagestreefde doel te verwezenlijken en niet verder gaat dan nodig is.

Prejudiciële vragen:

1. Indien „nieuwe beperkingen” voor de gezinshereniging tussen echtgenoten zijn ingevoerd die prima facie een schending vormen van de standstillbepaling van artikel 13 van besluit nr. 1/80 (besluit nr. 1/80 van de Associatieraad van 19 september 1980 betreffende de ontwikkeling van de associatie in het kader van de overeenkomst van 12 september 1963 tussen de Europese Economische Gemeenschap en Turkije waarbij een associatie tot stand wordt gebracht tussen de Europese Economische Gemeenschap en Turkije) en die beperkingen gerechtvaardigd worden op basis van overwegingen in verband met een „geslaagde integratie” zoals erkend door het Hof van Justitie van de Europese Unie in zijn arrest van 12 april 2016 in de zaak Genc (C-561/14, EU:C:2016:247) en zijn arrest van 10 juli 2014 in de zaak Dogan (C-138/13, EU:C:2014:2066), kan een regel zoals § 9, lid 7, van de Udlændingelov (Deense vreemdelingenwet) – op grond waarvan onder meer de gezinshereniging tussen een derdelander met een verblijfsvergunning in Denemarken en zijn/haar echtgeno(o)t(e) onderworpen is aan de algemene voorwaarde dat de binding van het paar met Denemarken groter moet zijn dan die met Turkije – „rechtvaardiging [vinden] in een dwingende reden van algemeen belang, geschikt [zijn] om de verwezenlijking van het nagestreefde legitieme doel te waarborgen en niet verder [gaan] dan nodig is voor het bereiken daarvan”?

2. Indien de eerste vraag bevestigend wordt beantwoord, waardoor het bindingsvereiste algemeen geschikt wordt geacht om de verwezenlijking van het integratiedoel te waarborgen, is het dan mogelijk om, zonder de toelaatbaarheid van de beperkingen en het evenredigheidsvereiste te schenden:

(i) een praktijk toe te passen die stelt dat wanneer de echtgeno(o)t(e) met de verblijfsvergunning in de lidstaat (de referentiepersoon) voor het eerst naar Denemarken kwam op de leeftijd van 12-13 jaar of ouder, bij de beoordeling van de binding van de referentiepersoon met de lidstaat belang wordt gehecht aan het volgende: of de persoon ofwel een langdurig legaal verblijf van circa twaalf jaar in de lidstaat heeft gehad, ofwel een tijd in de lidstaat heeft verbleven en daar een duurzame economische activiteit heeft uitgevoerd met een aanzienlijke mate van contact en communicatie met collega’s en eventueel klanten in de taal van de lidstaat, over een periode van ten minste vier of vijf jaar zonder grote onderbrekingen, of een tijd in de lidstaat heeft verbleven en daar een duurzame economische activiteit heeft uitgevoerd zonder een aanzienlijke mate van contact en communicatie met collega’s en klanten in de taal van de lidstaat, over een periode van ten minste zeven of acht jaar zonder grote onderbrekingen;

(ii) een praktijk toe te passen die stelt dat wanneer de referentiepersoon een sterke binding met zijn/haar land van herkomst heeft behouden door vaak of langdurig op bezoek te gaan in dat land, dit pleit tegen de vervulling van het bindingsvereiste, terwijl korte vakanties of verblijven voor opleidingen ter plaatse niet pleiten tegen de afgifte van een vergunning;

(iii) een praktijk toe te passen die stelt dat de zogenaamde situatie „gehuwd, gescheiden en opnieuw gehuwd” sterk tegen de vervulling van het bindingsvereiste pleit?

Aangehaalde (recente) jurisprudentie: Dogan C-138/13; Genc C-561/14; Tekdemir C-652/15;

Specifiek beleidsterrein: JenV; JenV-dmb