C-98-18

C-98-18

Prejudiciële hofzaak

Zie bijlage rechts voor de verwijzingsuitspraak, en klik hier voor het dossier van het Hof van Justitie (voor zover beschikbaar).

Termijnen: Motivering departement:    5 april 2018
Schriftelijke opmerkingen:                    17 mei 2018

Trefwoorden: verordening 853/2004; levensmiddelen van dierlijke oorsprong; slachthuis; hygiënevoorschriften

Onderwerp:
-           Verordening 853/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 houdende vaststelling van specifieke hygiënevoorschriften voor levensmiddelen van dierlijke oorsprong (hierna: verordening 853/2004).

Feiten:

Appellante exploiteert een levensmiddelenbedrijf waar kalfsvlees, vleesproducten en bijproducten worden verwerkt en in de handel worden gebracht. Boer & Zonen slacht ruim 7000 kalveren per week. In het slachtproces wordt het vlees van een koelcel naar een koelwagen verladen. In de koelwagen wordt het vlees opgeslagen en doorgekoeld totdat overal in het vlees de voorgeschreven temperatuur van 7°C is bereikt. Tijdens het proces van doorkoelen wacht de koelwagen op het terrein van het bedrijf. Nadat het vlees de voorgeschreven temperatuur heeft bereikt, worden de vervoersdocumenten opgemaakt en afgegeven. Daarna wordt het vlees in de koelwagen getransporteerd. Inspecteurs van de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA) hebben geconstateerd dat structureel vlees met een temperatuur boven de wettelijk vereiste temperatuur van 7°C werd verladen. Middels twee boetebesluiten d.d. 27.03.2015 heeft de staatssecretaris Boer & Zonen een bestuurlijke boete opgelegd wegens overtreding van artikel 3, eerste lid, en bijlage III, sectie I, hoofdstuk VII en onder punt 3 van Verordening 853/2004. Volgens appellante is het inladen, laden en of verladen van vlees met een temperatuur hoger dan 7°C met het oog op het verder koelen daarvan in een koelwagen geheel in lijn met de toepasselijke Europese voorschriften. Het vlees wordt namelijk pas voor vervoer aangeboden als het vlees (in de koelwagen) de voorgeschreven temperatuur van 7°C heeft bereikt, nu eerst vanaf dat moment de koelwagen het terrein van het bedrijf mag verlaten. Volgens de staatssecretaris volgt echter uit verordening 853/2004 dat het vlees reeds voor verlading een temperatuur van 7°C moet hebben bereikt. Immers moet slachting onmiddellijk worden gevolgd door koeling in het slachthuis om uiteindelijk overal in het vlees een temperatuur van 7°C te verzekeren. Een koelwagen op het parkeerterrein van het slachthuis zou geen deel uitmaken van het slachthuis.

Overweging:

Het Unierechtelijke begrip ‘slachthuis’ zoals genoemd in de verordening is in de nationale rechtspraak in Nederland niet steeds gelijk uitgelegd. Uit vaste rechtspraak van het Hof blijkt dat een verwijzingsverplichting bestaat voor de in laatste instantie oordelende rechterlijke instantie, indien een Unierechtelijk begrip vragen oproept bij een groot aantal lagere nationale rechterlijke instanties en het begrip herhaaldelijk moeilijkheden oplevert, tenzij zij heeft vastgesteld dat de opgeworpen vraag niet relevant is of dat de betrokken gemeenschapsbepaling door het Hof reeds is uitgelegd of dat de juiste toepassing van het gemeenschapsrecht zo evident is dat redelijkerwijze geen ruimte voor twijfel kan bestaan. Dit is in casu aan de orde en de uitleg van de hier relevante bepalingen van Unierecht zijn in dit geval niet zo evident dat redelijkerwijze geen ruimte voor twijfel kan bestaan. Het College is daarom overgegaan tot het stellen van een prejudiciële vraag aan het Hof.

Prejudiciële vragen:

Dient het bepaalde in bijlage III, sectie I, hoofdstuk VII, aanhef en punt 1 en punt 3 van Verordening 853/2004 aldus te worden uitgelegd dat de koeling van het vlees in het slachthuis zelf moet plaatsvinden, zodat het verladen van het vlees naar een koelwagen eerst mag aanvangen wanneer dat vlees een temperatuur van ten hoogste 7 graden Celsius heeft bereikt, of mag de koeling van het vlees ook in de koelwagen plaatsvinden, zolang deze het terrein van het slachthuis niet verlaat?

Aangehaalde (recente) jurisprudentie: Skatteverket, C-458/06; Cilfit, C-283/81; Gaston Schul, C-461/03; Ferreira da Silva, C-160/14.

Specifiek beleidsterrein: EZK, VWS