A-G: Exploitanten van onlineplatforms zijn bij de huidige stand van het EU-recht niet rechtstreeks aansprakelijk voor het illegaal uploaden van beschermde werken door gebruikers van deze platforms.

Contentverzamelaar

A-G: Exploitanten van onlineplatforms zijn bij de huidige stand van het EU-recht niet rechtstreeks aansprakelijk voor het illegaal uploaden van beschermde werken door gebruikers van deze platforms.
De rol van exploitanten van onlineplatforms is in beginsel die van een tussenpersoon en het proces van het uploaden van een bestand door gebruikers naar deze platformen verloopt automatisch. Als gevolg hiervan komt de eventuele primaire aansprakelijkheid in de regel uitsluitend ten laste van deze gebruikers. Ongeacht de kwestie van de aansprakelijkheid kunnen de rechthebbenden op grond van het EU-recht een rechterlijk bevel tegen deze platformen krijgen. Dat is het advies van advocaat-generaal Saugmandsgaard Øe op vragen van een Duitse rechter.

Het gaat om de conclusie van advocaat-generaal Saugmandsgaard Øe (A-G) van 16 juli 2020 in de gevoegde zaken C-682 en C-683/18, YouTube.

Richtlijn 2019/790 betreffende auteursrechten en naburige rechten in de digitale eengemaakte markt introduceert voor exploitanten van onlineplatforms een nieuwe aansprakelijkheidsregeling. Deze aansprakelijkheidsregeling geldt specifiek voor bestanden die door de gebruikers van dergelijke platforms illegaal worden geüpload. Richtlijn 2019/970 vereist onder meer dat deze exploitanten een vergunning van de rechthebbenden verkrijgen voor de werken die door de gebruikers van hun platformen worden geüpload. Bijvoorbeeld door het sluiten van een licentieovereenkomst.

Omdat richtlijn 2019/970 pas in juni 2021 door elke lidstaat in nationaal recht moet zijn omgezet, is deze richtlijn nog niet van toepassing op de onderhavige gevallen. Het EU-Hof wordt om die reden verzocht de aansprakelijkheid van deze exploitanten te verduidelijken in het kader van de regelingen die momenteel van kracht zijn. Het gaat met name om Richtlijn 2000/31 inzake elektronische handel, Richtlijn 2001/29 betreffende de harmonisatie van bepaalde aspecten van het auteursrecht en de naburige rechten in de informatiemaatschappij en Richtlijn 2004/48 betreffende de handhaving van intellectuele-eigendomsrechten.

In beide zaken procederen de rechthebbenden tegen het desbetreffende platform (Youtube onderscheidenlijk Sharing van Cyando) voor het illegaal laten uploaden van werken door derden. Het Bundesgerichtshof (Duitsland), waar deze twee zaken worden behandeld, heeft het EU-Hof een aantal prejudiciële vragen gesteld omtrent de aansprakelijkheid van exploitanten van onlineplatforms in dergelijke gevallen.

Advies

De A-G adviseert het EU-Hof om te oordelen dat exploitanten van onlineplatforms niet rechtstreeks aansprakelijk kunnen zijn voor een inbreuk op het exclusieve recht van auteurs om hun werk aan het publiek mee te delen, wanneer gebruikers van de platforms van deze exploitanten illegaal beschermde werken uploaden. Volgens de A-G doen exploitanten als YouTube en Cyando in dit geval niet zelf een "mededeling aan het publiek". De rol van deze exploitanten is die van een tussenpersoon die fysieke voorzieningen aanbiedt die de gebruikers in staat stellen dergelijke mededelingen te doen. De primaire aansprakelijkheid komt dus ten laste van deze gebruikers.

De A-G merkt in dit verband op dat het proces van het uploaden van een bestand naar een platform zoals YouTube of Uploaded automatisch verloopt. De platformexploitant selecteert of bepaalt op geen enkele manier de inhoud die wordt gepubliceerd. Elke, eventueel geautomatiseerde, controle vooraf door die exploitant vormt geen selectie, voor zover die controle zich beperkt tot het identificeren van illegale inhoud. In dit geval is het dus niet de bedoeling om bepaalde inhoud aan het publiek te communiceren.

De advocaat-generaal merkt voorts op dat richtlijn 2001/29 niet bedoeld is om de secundaire aansprakelijkheid te regelen, dat wil zeggen de aansprakelijkheid van personen die derden helpen bij het verrichten van illegale mededelingen aan het publiek. Deze aansprakelijkheid valt onder het nationale recht van de lidstaten. Bovendien kunnen platformexploitanten zoals YouTube en Cyando in beginsel in aanmerking komen voor de in richtlijn 2000/31 bedoelde vrijstelling van aansprakelijkheid voor de bestanden die zij op verzoek van hun gebruikers opslaan. Voorwaarde hiervoor is dat zij geen actieve rol hebben gespeeld die hen kennis van of controle over de betrokken informatie geeft. Volgends de A-G vervullen Youtube en Cyando in beginsel geen actieve rol.

De vrijstelling geldt niet als iemand daadwerkelijk kennis heeft van illegale activiteiten of informatie of op de hoogte is van feiten of omstandigheden waaruit de illegale activiteit of informatie blijkt. De A-G preciseert dat de situaties waarin de betrokken vrijstelling niet van toepassing is, alleen betrekking heeft op specifieke illegale informatie. Anders bestaat het risico dat de door platformexploitanten op verzoek van de gebruikers van hun platform opgeslagen inhoud overmatig wordt verwijderd,.

De A-G stelt het Hof ook voor te oordelen dat, ongeacht de kwestie van de aansprakelijkheid, de rechthebbenden op grond van het EU-recht een rechterlijk bevel kunnen krijgen tegen de exploitanten van onlineplatforms. Dit rechterlijke bevel kan verplichtingen opleggen aan deze exploitanten. Rechthebbenden moeten om een dergelijk rechterlijk bevel kunnen verzoeken wanneer wordt vastgesteld dat derden inbreuk maken op hun rechten door middel van de door de platformexploitanten verleende diensten. Deze derden hoeven niet te wachten tot er weer een inbreuk plaatsvindt. Ook hoeven de derden geen blijk te geven van ongeoorloofd gedrag van de tussenpersoon.

Opmerking : een conclusie van een A-G is een advies aan het EU-Hof. Het EU-Hof is volledig vrij daarvan af te wijken. Het is nog niet bekend wanneer de uiteindelijke uitspraak van het EU-Hof zal verschijnen. Dit kan nog enkele maanden duren. De uitspraak van het EU-Hof zal wel bindend zijn.