Zoeken

Webcontent zoeken

Op deze pagina:

  • Inleiding
  • (Rechts)kader voor toetreding
  • Het toetredingsproces
    •  

Inleiding

Sinds de oprichting van de Europese Economische Gemeenschap (EEG) in 1957, de voorloper van de Europese Unie (EU), zijn geleidelijk steeds meer Europese staten toegetreden tot de EU. Deze Europese staten waren voor hun toetreding wel gelegen op het grondgebied van Europa, maar nog geen lid van de EU. In die zin konden zij voorheen als ‘derde land’ worden aangemerkt. 

In 1957 waren zes staten lid van de EEG: België, Frankrijk, Duitsland, Italië, Luxemburg en Nederland. Vandaag de dag telt de Europese Unie (EU) na zeven uitbreidingsrondes en één uittreding in totaal 27 lidstaten. Naast de zes oorspronkelijke staten gaat het om Ierland (1973), Denemarken (1973), Griekenland (1981), Spanje (1986), Portugal (1986), Oostenrijk (1995), Finland (1995), Zweden (1995), Estland (2004), Letland (2004), Litouwen (2004), Polen (2004), Tsjechië (2004), Slowakije (2004), Hongarije (2004), Slovenië (2004), Malta (2004), Cyprus (2004), Roemenië (2007), Bulgarije (2007) en Kroatië (2013). 

Op dit moment voert de Europese Unie toetredingsonderhandelingen met Montenegro, Servië, Albanië, Noord-Macedonië, Moldavië en Oekraïne. De onderhandelingen met Turkije zijn in 2005 van start gegaan, maar sinds 2016 is het proces bevroren. Georgië en Bosnië-Herzegovina hebben de status van kandidaat-lidstaat, maar de toetredingsonderhandelingen met die landen zijn nog niet van start gegaan. Kosovo is aangemerkt als een potentiële kandidaat-lidstaat. 

(Rechts)kader voor toetreding

Het juridische raamwerk voor de toetreding van een staat tot de EU wordt onder meer gevormd door artikel 49 van het EU-Verdrag . Uit die bepaling volgen twee basisvoorwaarden waaraan een kandidaat-lidstaat moet voldoen. Ten eerste moet het aanvragende land een Europese staat zijn. Ten tweede moet het land de Unierechtelijke waarden uit artikel 2 van het EU-Verdrag eerbiedigen en uitdragen (zie het ECER-onderdeel over de waarden van de EU voor meer informatie). 

Artikel 49, eerste alinea, vierde volzin, van het EU-Verdrag bepaalt dat bij de toetreding van een staat rekening wordt gehouden met de door de Europese Raad overeengekomen criteria voor toetreding. Deze criteria zijn in 1993 door de Europese Raad vastgesteld en worden de criteria van Kopenhagen genoemd (zie Conclusies van het Voorzitterschap over de Europese Raad in Kopenhagen 21-22 juni 1993, p. 14). Het gaat om de volgende criteria:

  • Politieke criteria: het toetredende land dient te beschikken over stabiele instellingen, die de democratie, de rechtsstaat, de eerbiediging van de mensenrechten en het respect voor minderheden waarborgen;
  • Economisch criterium: het toetredende land dient een goed functionerende markteconomie te hebben en het hoofd te kunnen bieden aan de concurrentie en de marktkrachten binnen de EU;
  • Administratief-institutioneel criterium: het toetredende land dient de verplichtingen die het EU-lidmaatschap met zich meebrengt op zich te kunnen nemen, met inbegrip van de capaciteit om de gemeenschappelijke wet- en regelgeving van de EU over te nemen en te implementeren, en de doelstellingen van een politieke, economische en monetaire unie te onderschrijven.

Naast de criteria waaraan kandidaat-lidstaten moeten voldoen (de Kopenhagen-criteria), dient ook te worden overwogen of de EU zelf beschikt over voldoende vermogen om goed te kunnen blijven functioneren na toetreding van een nieuwe staat (zie Conclusies van het Voorzitterschap over de Europese Raad in Brussel 14-15 december 2006, punt 9). Dit wordt aangemerkt als de absorptiecapaciteit van de Unie. 

Gedurende het toetredingsproces staat de verbeterde uitbreidingsmethode uit 2020 centraal. Deze methode is vastgelegd in een mededeling van de Commissie, en bekrachtigd door de Raad van de Europese Unie (zie conclusies) en de Europese Raad (zie de gezamenlijke verklaring). De verbeterde uitbreidingsmethode heeft als doel om het toetredingsproces voorspelbaarder, geloofwaardiger en dynamischer te maken en aan sterkere politieke storing te onderwerpen. 

Het toetredingsproces

Officieel verzoek om toetreding van een staat

De eerste stap voor een Europese staat die wenst toe te treden tot de Europese Unie is het indienen van een formeel verzoek bij de Raad om lid te mogen worden van de EU (artikel 49, eerste alinea, EU-Verdrag). De Raad informeert vervolgens het Europees Parlement, de Europese Commissie (hoewel niet expliciet genoemd in artikel 49 EU-Verdrag) en de nationale parlementen (artikel 12, onder e, EU-Verdrag). 

Verzoek van de Raad om advies van de Europese Commissie over toetreding

Wanneer een Europese staat verzoekt om lid van de EU te worden, nodigt de Raad de Europese Commissie formeel uit om daarover advies uit te brengen . De termijn waarbinnen de Raad een beslissing moet nemen om de Commissie te raadplegen is niet opgenomen in de EU-Verdragen. 

Advies van de Commissie over toetreding

De Commissie brengt een advies uit over het verzoek om toetreding tot de EU van de desbetreffende staat, waarin de Commissie beoordeelt of het land al dan niet aan de toetredingscriteria voldoet. In de EU-Verdragen staat niet hoe lang de Commissie de tijd heeft om haar advies uit te brengen. Het kan maanden of zelfs jaren duren voordat de Commissie de toetredingsaanvraag van een land in overweging neemt. Bosnië en Herzegovina heeft bijvoorbeeld in 2016 een toetredingsaanvraag ingediend, maar de Commissie heeft haar advies pas in 2019 uitgebracht. 

Het advies van de Commissie is een document waarin het wettelijke en constitutionele kader van het land en de tenuitvoerlegging van de wetgeving van het land worden geanalyseerd in het licht van het geheel van EU-wetgeving, -normen en -voorschriften (het zogenoemde EU-acquis). Als het land niet in voldoende mate voldoet aan de toetredingscriteria, beschrijft de Commissie in het advies specifieke hervormingen, ook bekend als key priorities , waaraan de desbetreffende staat moet voldoen om verder te kunnen gaan. Als een land wel aan de toetredingscriteria voldoet, beveelt de Commissie de Raad Algemene Zaken (RAZ) aan om de status van kandidaat-lidstaat toe te kennen. 

Verlenen van de status van kandidaat-lidstaat

Uiteindelijk beslist de Raad (Algemene Zaken) met consensus of het land de status van kandidaat-lidstaat krijgt toegekend. Als de Raad met consensus instemt, en de Europese Raad vervolgens deze conclusie onderschrijft, wordt het land officieel een kandidaat voor het EU-lidmaatschap. Als de tijd nog niet rijp is voor de status van kandidaat-lidstaat, kan de Raad of de Europese Raad dit ook vooraf laten gaan door eerst het Europees perspectief van een land te erkennen of de status van potentiële kandidaat-lidstaat toe te kennen (via conclusies). De status van kandidaat-lidstaat geeft een staat niet automatisch het recht toe te treden tot de Europese Unie. 

Besluit om toetredingsonderhandelingen te openen

Zodra een kandidaat-lidstaat in voldoende mate voldoet aan de politieke toetredingscriteria, beveelt de Commissie aan om de toetredingsonderhandelingen te openen. De Raad, eventueel bekrachtigd door de Europese Raad, neemt een besluit om de toetredingsonderhandelingen te openen. Dit besluit wordt genomen door het nemen van conclusies. 

Voorstel voor en aanname onderhandelingsraamwerk

Nadat de Raad (en Europese Raad) hebben besloten om de toetredingsonderhandelingen te openen, stelt de Europese Commissie, op verzoek van de Raad, een ontwerp op voor het onderhandelingskader. Zodra de EU-lidstaten het onderhandelingskader hebben goedgekeurd, gaan de toetredingsonderhandelingen formeel van start. Daartoe presenteert het roulerend voorzitterschap van de Raad van de EU het overeengekomen algemene EU standpunt tijdens de eerste intergouvernementele conferentie met de kandidaat-lidstaat. Het onderhandelingskader wordt op dat moment openbaar. 

De toetredingsonderhandelingen

De toetredingsonderhandelingen worden gevoerd in het kader van een intergouvernementele conferentie (IGC) waaraan alle EU-lidstaten en de kandidaat-lidstaat deelnemen. Het doel van de onderhandelingen is om de wetgeving en standaarden van de kandidaat-lidstaat dichter bij die van de EU (het acquis) te brengen.Er bestaan in totaal 35 beleidsterreinen, verdeeld over zes clusters, waarover ten aanzien van het acquis afzonderlijk onderhandeld moet worden. Een beleidsterrein kan voorlopig worden afgesloten indien de kandidaat-lidstaat het acquis van een bepaald beleidsterrein reeds ten uitvoer heeft gelegd. 

Toetredingsverdrag

Nadat de onderhandelingen over alle afzonderlijke beleidsterreinen zijn afgerond, wordt er een toetredingsverdrag opgesteld. Voordat dit toetredingsverdrag wordt ondertekend, keurt de Raad formeel de toetredingsaanvraag goed (met unanimiteit), na raadplegiing van de Commissie en na goedkeuring van het Europees Parlement.

Het toetredingsverdrag zelf wordt gesloten tussen de EU-lidstaten en het verzoekende land en dient dan ook door elke EU-lidstaat afzonderlijk alsook door het toetredende land te worden geratificeerd. Elke staat die partij is bij - dus alle lidstaten van de EU en de toetredende lidstaat- ratificeert het verdrag volgens de onderscheiden grondwettelijke bepalingen (zie ook  artikel 49 EU-Verdrag ). In Nederland heeft dat tot gevolg dat overeenkomstig de 'Rijkswet goedkeuring en bekendmaking verdragen' een goedkeuringswet tot stand zal moeten komen.