C-680/25 Tribunalul Suceava et Inalta Curte de Casatie si Justitie  

Asset Publisher

C-680/25 Tribunalul Suceava et Inalta Curte de Casatie si Justitie  

Prejudiciële hofzaak  

Dit fiche is slechts een samenvatting. De verwijzingsbeschikking is bepalend

Zie bijlage voor de verwijzingsuitspraak, en klik hier voor het dossier van het Hof van Justitie (voor zover beschikbaar).

Termijnen: Motivering departement:     22 december 2025
Schriftelijke opmerkingen:                     8 februari 2026

Trefwoorden: arbeidsvoorwaarden, non-discriminatie, sociale zekerheid, voorrang Unierecht

Onderwerp: Richtlijn 1999/70/EG betreffende het raamovereenkomst inzake arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd: clausule 4, punt 1; Handvest van de grondrechten EU: artikelen 20 en 21.

Verzoekster is werkzaam als gerechtsjurist bij de verwerende rechterlijke instantie. Zij heeft verschillende dienstbetrekkingen voor bepaalde tijd gehad, en is daar inmiddels meer dan vijf jaar aan het werk. Bij de rechterlijke instantie krijgen gespecialiseerde gerechtsambtenaren in vaste dienst een salarisverhoging bij een anciënniteit van vijf jaar. Verzoekster kreeg deze verhoging niet omdat zij een arbeidsbetrekking voor bepaalde tijd heeft, en stelt nu bij de rechtbank dat zij wordt gediscrimineerd. De Roemeense rechter vraagt het Hof onder andere of hij de strijdige nationale regelgeving buiten toepassing moet laten.

Prejudiciële vragen: 
1) Is de nationale rechter, die de bepalingen van richtlijn 1999/70/EG en van de raamovereenkomst bij voorrang moet toepassen, verplicht om ervoor te zorgen dat deze bepalingen volledig worden toegepast en moet hij ambtshalve elke daarmee strijdige bepaling van –zelfs latere – nationale wetgeving buiten toepassing laten, zonder eerst de intrekking van die bepaling bij wet of enige andere procedure te vragen of af te wachten? 

2) Moet het begrip „arbeidsvoorwaarden” in clausule 4, punt 1, van de (op 18 maart 1999 gesloten) raamovereenkomst inzake arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd, die is opgenomen in de bijlage bij richtlijn 1999/70/EG van de Raad van 28 juni 1999 betreffende de door het EVV, de UNICE en het CEEP gesloten raamovereenkomst inzake arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd, aldus worden uitgelegd dat het als grondslag kan dienen voor een vordering als die in het hoofdgeding, die strekt tot toekenning aan een werknemer met een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd van een loonbestanddeel (loonsverhoging of toelage) wegens anciënniteit, een recht dat door de nationale regeling is voorbehouden aan werknemers met een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd? 

3) Moet clausule 4, punt 1, van de raamovereenkomst inzake arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd (die is opgenomen in de bijlage bij richtlijn 1999/70/EG) aldus worden uitgelegd dat zij in de weg staat aan de invoering van een verschil in behandeling (met betrekking tot de toekenning van een loonbestanddeel wegens anciënniteit) tussen werknemers met een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd en werknemers met een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd dat alleen wordt gerechtvaardigd door het feit dat dit verschil is vastgelegd in een nationale wettelijke regeling van een lidstaat? 

4) Zijn de nationale rechters op grond van clausule 4, punt 1, van de raamovereenkomst inzake arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd (die is opgenomen in de bijlage bij richtlijn 1999/70/EG) verplicht om de individuele rechten van werknemers met een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd te beschermen, met name wanneer er sprake is van discriminatie die rechtstreeks voortvloeit uit nationale wettelijke bepalingen en van ongelijke beloning van deze werknemers ten opzichte van werknemers met een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd, in het bijzonder wanneer dit gebeurt binnen dezelfde overheidsdienst?

Aangehaalde (recente) jurisprudentie: (o.a.) C-444/09 en C-456/09  C-268/06 Impact; C-316/13; C-22/08 en C-23/08; C-677/16; C-443/16.

Specifiek beleidsterrein: SZW