C-682/25 Crossryn
Dit fiche is slechts een samenvatting. De verwijzingsbeschikking is bepalend
Zie bijlage voor de verwijzingsuitspraak, en klik hier voor het dossier van het Hof van Justitie (voor zover beschikbaar).
Termijnen: Motivering departement: 16 december 2025 Schriftelijke opmerkingen: 2 februari 2026
Trefwoorden: VK terugtrekkingsakkoord, sociale zekerheid, rechten familieleden van Unieburgers, discriminatieverbod
Onderwerp: Het Akkoord inzake de terugtrekking van het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland uit de Europese Unie en de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie: artikel 17, lid 2 en artikel 23; Richtlijn 2004/38 betreffende het verblijf op het grondgebied van de lidstaten van de burgers van de Unie en hun familieleden: artikel 2, punt 2.
Verzoekster is eind 2021 het Verenigd Koninkrijk binnengekomen en heeft daar een verblijfsvergunning gekregen via de bijlage bij het terugtrekkingsakkoord (rechten voor gezinsleden van Unieburgers). Deze bijlage was van toepassing omdat zij een zoon heeft met de Spaanse nationaliteit. Na haar aankomst in de VK is zij slachtoffer geworden van huiselijk geweld door haar zoon en schoondochter. Zij ontvluchtte het huis, maar kreeg daarna geen toegang tot steun van de regering omdat de regeling niet op haar van toepassing is (als ouder van een kind die EU-onderdaan is). Zij had ook geen recht op een socialezekerheidsuitkering omdat zij volgens verweerder door haar ontvluchting niet langer ‘ten laste’ is van een burger van de Unie (artikel 17, lid 2 Terugtrekkingsakkoord). De verwijzende rechter vraagt het Hof om uitleg.
Prejudiciële vraag: Is artikel 17, lid 2, van het Akkoord inzake de terugtrekking van het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland uit de Europese Unie en de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie (hierna: „terugtrekkingsakkoord”) van toepassing op een persoon die aan het einde van de overgangsperiode een ten laste komende rechtstreekse bloedverwant in de opgaande lijn van een burger van de Unie was, en bijgevolg een „familielid” van een Unieburger in de zin van artikel 2, punt 2, onder d), van richtlijn 2004/38/EG, maar die buiten het gastland verbleef en later als persoon ten laste het gastland is binnengekomen, waardoor hij binnen de personele werkingssfeer van artikel 10, lid 1, onder e), ii), van het terugtrekkingsakkoord valt? Zo ja, volgt daaruit dat wanneer een dergelijke persoon het huis van de persoon van wie hij ten laste kwam ontvlucht als gevolg van huiselijk geweld en daardoor niet meer ten laste komt, hij verblijfsrechten blijft genieten krachtens artikel 13 van titel II van deel 2 van het terugtrekkingsakkoord, en zich dus kan beroepen op artikel 23 van dit akkoord?
Aangehaalde (recente) jurisprudentie: -
Specifiek beleidsterrein: AenM; SZW; BZ