C-684/25 Bryscki   

Asset Publisher

C-684/25 Bryscki   

Prejudiciële hofzaak

Dit fiche is slechts een samenvatting. De verwijzingsbeschikking is bepalend

Zie bijlage voor de verwijzingsuitspraak, en klik hier voor het dossier van het Hof van Justitie (voor zover beschikbaar).

Termijnen: Motivering departement:     17 december 2025
Schriftelijke opmerkingen:                     03 februari 2026

Trefwoorden: consumentenkredietovereenkomst, oneerlijke bedingen, sanctie, ontzegging van rente

Onderwerp: Richtlijn 2008/48/EG inzake kredietovereenkomsten voor consumenten: Artikel 10, lid 2, onder k), artikel 22, artikel 23, overweging 47; Richtlijn 93/13/EEG betreffende oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten: Artikel 6, lid 1. 

K.M. heeft twee consolidatiekredietovereenkomsten gesloten met bank A.B. K.M. stelt dat de bank haar informatieplicht heeft geschonden, omdat zij onvoldoende duidelijke informatie gaf over de afbetalingsprocedure, het recht op vervroegde aflossing, het jaarlijkse kostenpercentage en de voorwaarden voor wijziging van bijkomende kosten en commissielonen. Volgens het Poolse recht staat op een dergelijke schending de sanctie van kosteloze kredietverstrekking, waardoor K.M. terugbetaling van zijn rente en kredietkosten vordert. Uit een deskundigenonderzoek blijkt dat alle wezenlijke kredietgegevens correct waren verstrekt en de vermeende tekortkoming enkel ziet op de algemene en weinig voorspelbare omschrijving van variabele bijkomende kosten, wat van geringe economische betekenis is. De verwijzende rechter vraagt het Hof of de Poolse regeling, die de sanctie automatisch toepast zonder onderscheid naar de ernst van de schending, verenigbaar is met het Unierecht.

Prejudiciële vragen: 
1. Moet artikel 10, lid 2, onder k), van richtlijn 2008/48/EG [van het Europees Parlement en de Raad van 23 april 2008 inzake kredietovereenkomsten voor consumenten en tot intrekking van richtlijn 87/102/EEG van de Raad] aldus worden uitgelegd dat een kredietgever zich, ter nakoming van de eis van duidelijkheid en begrijpelijkheid van de informatie over de kosten die verbonden zijn aan een consumentenkredietovereenkomst, mag beperken tot een algemene beschrijving van de factoren die een wijziging van dergelijke kosten rechtvaardigen, zoals macro-economische veranderingen of wijzigingen van de regelgeving, dan wel dat hij gehouden is om een nauwkeuriger mechanisme voor de vaststelling van dergelijke factoren te definiëren, mede door eventueel een bovengrens of een limiet ter zake van de stijging van die kosten vast te stellen, zodat de consument in staat is om de mogelijke financiële gevolgen van de overeenkomst te beoordelen? 

2. Moet artikel 23 van richtlijn 2008/48, gelezen in samenhang met overweging 47 ervan, aldus worden uitgelegd dat het in de weg staat aan een nationale bepaling [artikel 45 van de ustawa o kredycie konsumenckim (wet op het consumentenkrediet)] op grond waarvan de kredietgever automatisch het recht op rente en kredietkosten verliest bij elke schending van de informatieplicht van artikel 10, lid 2, onder k), van die richtlijn, zelfs wanneer de consument naar behoren is geïnformeerd over alle wezenlijke elementen van de kredietovereenkomst (het totale kredietbedrag, alle kredietkosten, de rentevoet, het jaarlijkse kostenpercentage en de wijze van berekening van de verschuldigde rente), de verweten schending uitsluitend betrekking heeft op de onnauwkeurigheid van de beschrijving van de voorwaarden voor wijziging van geringe kosten en deze schending vanuit economisch oogpunt niet werkelijk van belang was voor het besluit van de consument om de overeenkomst te sluiten? 

3. Moet artikel 23 van richtlijn 2008/48 aldus worden uitgelegd dat de nationale rechter kan weigeren om de in het nationale recht bepaalde sanctie (niet-toekenning van rente en kredietkosten) toe te passen wanneer hij van oordeel is dat de doelstellingen van die richtlijn ook kunnen worden verwezenlijkt door andere maatregelen ter bescherming van de consument, met name door een contractueel beding als oneerlijk in de zin van richtlijn 93/13/EEG [van de Raad van 5 april 1993 betreffende oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten] aan te merken en alleen de terugbetaling van de onverschuldigd betaalde kosten te gelasten? 

4. Moeten de artikelen 22 en 23 van richtlijn 2008/48, gelezen in samenhang met artikel 6, lid 1, van richtlijn 93/13, aldus worden uitgelegd dat wanneer het Hof erkent dat, ten gunste van maatregelen ter bescherming van de consument in de zin van richtlijn 93/13, kan worden afgeweken van de toepassing van de sanctie van kosteloze kredietverstrekking (derde vraag), de nationale rechter bij zijn ambtshalve onderzoek van de schending van de informatieplicht de partijen bij de procedure in kennis moet stellen van de mogelijkheid om een dergelijke maatregel toe te passen en hen in dat verband tevens moet informeren over de verschillende rechtsgevolgen van enerzijds de sanctie van kosteloze kredietverstrekking en anderzijds de kwalificatie van het litigieuze beding als oneerlijk beding, met name wanneer de rechter tot de slotsom komt dat de toepassing van de sanctie van kosteloze kredietverstrekking in de gegeven omstandigheden niet gerechtvaardigd of onevenredig is, en dat hij de partijen tevens de gelegenheid moet bieden om een standpunt over de keuze van de passende beschermingsmaatregel in te nemen?

Aangehaalde (recente) jurisprudentie: C-472/23 Lexitor; C-42/15 Home Credit Slovakia

Specifiek beleidsterrein: FIN; EZ

Gerelateerde documenten