C-686/25 Aliki  

Asset Publisher

C-686/25 Aliki  

Prejudiciële hofzaak

Dit fiche is slechts een samenvatting. De verwijzingsbeschikking is bepalend

Zie bijlage voor de verwijzingsuitspraak, en klik hier voor het dossier van het Hof van Justitie (voor zover beschikbaar).

Termijnen: Motivering departement:     29 december 2025
Schriftelijke opmerkingen:                     15 februari 2026

Trefwoorden: EOM, rechterlijke dwaling, persoonlijke aansprakelijkheid magistraten, doeltreffende voorziening in rechte, gelijkwaardigheidsbeginsel

Onderwerp: Verordening 2017/1939 (EOM): artikelen 42, 96, en 113; Handvest van de grondrechten EU: artikel 47; VWEU: artikelen 268 en 340; Protocol (nr. 7) betreffende de voorrechten en immuniteiten van de Europese Unie: artikel 11, onder a), artikelen 15, 17 en 20; Verordening 2017/1371 betreffende de strafrechtelijke bestrijding van fraude. 

Verzoeker is Griekse burger ‘FN’. Zij is aangeklaagd voor fraude die de financiële belangen van de Unie schaadt. Verweersters zijn een openbaar aanklager (tevens gelegeerd Europees aanklager) en een rechter van instructie. Zij hebben FN beperkende maatregelen opgelegd zoals een borgsom en uitreisverbod. Verzoekster heeft tegen verweersters een beroep wegens rechterlijke dwaling ingesteld bij de verwijzende rechter. De Griekse rechter twijfelt in deze zaak of een nationale rechter bevoegd is om te beslissen over schadevergoeding ter zake van gestelde fouten van gedelegeerde Europese aanklagers bij de uitoefening van hun taken krachtens verordening 2017/1939 (EOM). 

Prejudiciële vragen: 
1) Dienen artikel 42, lid 4, en artikel 113, leden 3 tot en met 5, van verordening (EU) 2017/1939 van de Raad van 12 oktober 2017 betreffende nauwere samenwerking bij de instelling van het Europees Openbaar Ministerie (EOM) (PB 2017, L 283, blz. 1), in het licht van de artikelen 268 en 340 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, van artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie en van het gelijkwaardigheidsbeginsel, dat de uitlegging en de toepassing van het Unierecht door de rechters van de lidstaten beheerst, aldus te worden uitgelegd dat zij zich verzetten tegen de bevoegdheid van een rechterlijke instantie van een lidstaat die deelneemt aan de instelling en werking van het EOM om, op basis van een beroepsweg met de institutionele kenmerken van het beroep wegens rechterlijke dwaling van artikel 99, lid 1, van de Griekse grondwet, kennis te nemen van een vordering tot schadevergoeding betreffende de persoonlijke aansprakelijkheid van een gedelegeerd Europees aanklager als bedoeld in artikel 8, lid 4, en artikel 13 van die verordening voor diens handelen of nalaten tijdens de uitoefening van zijn taken krachtens die verordening? 

2) Indien het antwoord op de eerste vraag ontkennend luidt: dient artikel 96, lid 5, van verordening [2017/1939] („Op het EOM en zijn personeelsleden is het Protocol betreffende de voorrechten en immuniteiten van de Europese Unie van toepassing”), in het licht van artikel 17, eerste alinea, van Protocol nr. 7 betreffende de voorrechten en immuniteiten van de Europese Unie (PB 2016, C 202, blz. 266) („De voorrechten, immuniteiten en faciliteiten worden aan de ambtenaren en overige personeelsleden van de Unie uitsluitend in het belang van de Unie verleend”), aldus te worden uitgelegd dat de vrijstelling van rechtsvervolging die de ambtenaren en overige personeelsleden van de Unie volgens artikel 11, onder a), van het Protocol genieten, ook wordt verleend aan de in artikel 8, lid 4, en artikel 13 van die verordening bedoelde gedelegeerde Europese aanklagers met betrekking tot de toetsing van hun persoonlijke aansprakelijkheid door de rechters van de lidstaten die deelnemen aan de instelling en werking van het EOM op basis van een beroepsweg met de institutionele kenmerken van het beroep wegens rechterlijke dwaling van in artikel 99, lid 1, van de Griekse grondwet?

Aangehaalde (recente) jurisprudentie: C-394/11; C-399/11; C-222/13 TDC; C-62/14 ; C-105/14 ; C-42/17 M.A.S. en Μ.Β.; C-150/17 Europese Unie/Kendrion; C-573/17; C-758/19 ΟΗ (Vrijstelling van rechtsvervolging); C-3/20 LR Ģenerālprokuratūra. 

Specifiek beleidsterrein: JenV