Katholische Schwangerschaftsberatung is een vereniging binnen de Duitse katholieke kerk die zwangere vrouwen adviseert. Al haar werknemers moeten zich houden aan de richtlijnen van de katholieke kerk. Elk advies inzake zwangerschap dient het leven van het ongeboren kind te beschermen. Toen een van haar adviseurs, lid van de katholieke kerk, zich uit deze kerk terugtrok, heeft Katholische Schwangerschaftsberatung haar om diezelfde reden ontslagen. Volgens het toepasselijke canoniek recht wordt het terugtrekken uit de katholieke kerk namelijk beschouwd als een ernstige schending van de loyaliteitsverplichtingen. Het federaal arbeidsgerecht is van oordeel dat het ontslag van de adviseur een verschil in behandeling vormde dat rechtstreeks op godsdienst was gebaseerd. Het heeft de zaak voorgelegd aan het Hof van Justitie.
Een in Oostenrijk woonachtige burger heeft zich aangemeld voor de nieuwsbrief van het familiebedrijf Brillen Rottler, een opticien gevestigd in Arnsberg in Duitsland, op meer dan 500 kilometer van de Duits-Oostenrijkse grens. Hiervoor heeft hij zijn persoonsgegevens ingevuld op het aanmeldingsformulier op de website van het bedrijf en toestemming gegeven voor de verwerking van deze gegevens. Dertien dagen later heeft hij Brillen Rottler een verzoek om toegang gestuurd op grond van de Algemene Verordening Gegevensbescherming (AVG). Volgens deze verordening heeft een betrokkene het recht om van de verwerkingsverantwoordelijke bevestiging te krijgen dat al dan niet persoonsgegevens over hem worden verwerkt en, indien dit het geval is, het recht op toegang tot deze gegevens en de daarmee verband houdende informatie. Brillen Rottler wees het verzoek af omdat het volgens haar onrechtmatig was. Uit verschillende reportages, blogartikelen en nieuwsbrieven van advocaten zou namelijk blijken dat de betrokken burger zich systematisch inschrijft voor nieuwsbrieven, vervolgens een verzoek om toegang indient en ten slotte een schadevergoeding eist. De burger beschouwt zijn verzoek om toegang daarentegen als legitiem en eist een schadevergoeding van ten minste 1 000 euro voor de morele schade die hij heeft geleden als gevolg van de weigering van Brillen Rottler. De Duitse rechter heeft de zaak voorgelegd aan het Hof van Justitie.
In mei 2020 werd HW in Parijs aangehouden wegens het organiseren van een verboden demonstratie en oproer. Tijdens zijn voorlopige hechtenis weigerde hij mee te werken aan een signalement (vingerafdrukken en foto's). Deze weigering leverde HW een veroordeling op, hoewel hij werd vrijgesproken van het misdrijf dat aanleiding gaf tot de voorgenomen identificatie. Hij betwistte zijn schuld door aan te voeren dat de toepasselijke Franse wetgeving niet in overeenstemming was met de Europese regelgeving inzake de bescherming van persoonsgegevens in strafzaken. De Franse rechter vraagt het Hof de politie systematisch vingerafdrukken en foto's mag nemen van elke persoon die van een strafbaar feit wordt verdacht, zonder dat zij deze maatregel per geval hoeft te rechtvaardigen. Hij vraagt ook of een persoon strafrechtelijk kan worden vervolgd omdat hij heeft geweigerd hieraan mee te werken, zelfs als hij uiteindelijk niet wordt vervolgd voor het strafbare feit waarvan hij werd verdacht.
Volgens het communautair wetboek betreffende geneesmiddelen voor menselijk gebruik (richtlijn 2001/83/EG) zijn van de werkingssfeer van deze richtlijn onder andere uitgesloten geneesmiddelen die in de apotheek overeenkomstig de aanwijzingen van de farmacopee worden bereid en voor verstrekking rechtstreeks aan de klanten van die apotheek zijn bestemd („formula officinalis”). De bereiding en de verstrekking van de formula officinalis hoeven dus niet te voldoen aan de in deze richtlijn gestelde voorwaarden. Het Nederlandse recht voegt voor de toepassing van deze vrijstelling een voorwaarde toe: de bereiding en de verstrekking van de formula officinalis moet „op kleine schaal” plaatsvinden. Aan deze voorwaarde wordt geacht te zijn voldaan wanneer het aantal unieke patiënten aan wie de formula officinalis wordt verstrekt bij langdurig gebruik van het geneesmiddel niet meer dan vijftig per maand bedraagt. De Hoge Raad vraagt of die bijkomende voorwaarde strookt met het EU-recht.