In 2019 heeft de regering van de deelstaat Neder-Oostenrijk een wegenbouwproject na een milieueffectrapportage goedgekeurd. De milieuorganisatie VIRUS – Verein Projektwerkstatt für Umwelt und Soziales, alsmede andere burgers en milieuorganisaties hebben daartegen bezwaar gemaakt bij het Bundesverwaltungsgericht. Volgens VIRUS wordt de EU-vogelrichtlijn geschonden. Meerdere vogelsoorten, waaronder vooral bosvogelsoorten zoals de middelste bonte specht (Dendrocopos medius respectievelijk Leiopicus medius), gebruiken leefgebieden die onder andere door het lawaai van de nieuwe weg zouden worden verstoord. De vogelrichtlijn bevat een verbod op het opzettelijk storen van vogels. Uit de rechtspraak volgt dat dit verbod zich ook uitstrekt tot potentiële storingen. Valt een storing echter ook onder dit verbod wanneer de nadelige gevolgen daarvan voor de habitat van vogels worden gecompenseerd door de verbetering van de habitat van de betrokken soorten op andere plaatsen?
In 2010 heeft de Europese Commissie een eerste besluit genomen in verband met verschillende luchtvaartmaatschappijen die actief zijn op de luchtvrachtmarkt en die tussen december 1999 en februari 2006 hebben deelgenomen aan een prijsafspraak. Zij kregen boetes opgelegd voor een totaalbedrag van ongeveer 790 miljoen euro. De afspraak had betrekking op verschillende elementen van de prijs, met name de invoering van "brandstof"- en "veiligheids"-toeslagen, alsmede de weigering om expediteurs een commissie op deze toeslagen toe te kennen. In 2015 werd de Commissiebeslissing echter geheel of gedeeltelijk vernietigd door het Gerecht wegens interne tegenstrijdigheden die afbreuk konden doen aan de rechten van verdediging van de luchtvaartmaatschappijen. In 2017 heeft de Commissie een nieuw besluit genomen, waarin zij de door het Gerecht geconstateerde motiveringsfout heeft gecorrigeerd en de luchtvaartmaatschappijen boetes heeft opgelegd voor een totaalbedrag van ongeveer 776 miljoen euro. De luchtvaartmaatschappijen hebben het Gerecht verzocht ook dit nieuw besluit nietig te verklaren of het bedrag van de opgelegde boetes te verlagen. In 2022 heeft het Gerecht de beroepen van Martinair, KLM, Cargolux, Air France-KLM, Air France, Lufthansa en Singapore Airlines verworpen. Voor andere luchtvaartmaatschappijen werd de boete wel verlaagd of vernietigd. Tegen deze arresten van het Gerecht is bij het Hof van Justitie beroep ingesteld.
Deze niet-nakomingsprocedure heeft betrekking op de regels ter bestrijding van belastingontwijkingspraktijken. De vennootschapsbelasting valt in beginsel onder de financiële en fiscale soevereiniteit van de lidstaten. De Raad heeft het echter passend geacht belastingontwijkingspraktijken op het niveau van de Unie aan te pakken om versnippering van de interne markt te voorkomen en kwalificatieconflicten en marktverstoringen weg te nemen. In dit verband heeft hij met richtlijn (EU) 2016/1164 een minimumniveau van bescherming van de nationale vennootschapsbelastingstelsels tegen belastingontwijkingspraktijken ingevoerd.
Naast een algemene antimisbruikregel is er een bijzondere bepaling ter bestrijding van belastingvoordelen die voortvloeien uit winstverschuiving naar een buitenlandse dochteronderneming. Het klassieke geval is de oprichting van een dochteronderneming in het buitenland met lage belastingdruk, die van kapitaal wordt voorzien en vervolgens een lening verstrekt aan de moedermaatschappij. De rente-inkomsten worden in het buitenland tegen een laag tarief belast en zijn aftrekbaar als bedrijfskosten op het nationale grondgebied waar de belastingdruk hoger is. Aldus wordt de winst naar het buitenland overgebracht waar de belastingdruk laag is. België is thans verplicht om zogenoemde toerekeningsregels toe te passen: de inkomsten van de dochteronderneming in het buitenland worden in aanmerking genomen als inkomsten van de moedermaatschappij op het nationale grondgebied (aan haar toegerekend) en belast tegen het (hogere) Belgische belastingtarief. Maar, de (lagere) belasting die de dochteronderneming in het buitenland heeft betaald, kan in mindering kunnen worden gebracht op de (hogere) binnenlandse belastingschuld van de moedermaatschappij. België wil een dergelijke aftrek echter niet toestaan en stelt dat de richtlijn slechts een minimale harmonisatie vaststelt en dat het dus strenger kan zijn.
Met dit beroep wordt de verenigbaarheid met EU-dienstenrichtlijn 2006/123 betwist van de Belgische wet van 9 juli 1971 tot regeling van de woningbouw en de verkoop van te bouwen of in aanbouw zijnde woningen (de zogeheten „wet Breyne” mbt de aankoop op plan) en de uitvoeringsbepalingen ervan. De wet Breyne en de uitvoeringsbepalingen ervan bepalen dat voor overeenkomsten betreffende de bouw van gebouwen de aannemer of de promotor een waarborg moet verstrekken aan de koper om deze te beschermen tegen insolvabiliteit van de aannemer of de promotor. Deze bepalingen leggen aannemers en verkopers die niet als “erkende aannemers” volgens de Belgische wetgeving kunnen worden aangemerkt een financiële waarborg van 100 % van de totale prijs van het gebouw op, terwijl erkende aannemers slechts een waarborg van 5 % hoeven te stellen. De Europese Commissie ziet twee punten van bezwaar: België handelt in strijd met de EU-dienstenrichtlijn omdat een waarborg van 100 % van de totale prijs van het gebouw een beperking vormt van het vrij verrichten van diensten. Het beperkt namelijk de vrijheid van aannemers of promotoren die gevestigd zijn in een andere lidstaat waar zij rechtmatig werkzaam zijn, om hun diensten in België te verrichten. Ten tweede is de Commissie van mening dat de waarborg van 100 % van de totale prijs van het gebouw de doelstelling om de koper van een in aanbouw zijnde woning te beschermen tegen het risico op insolvabiliteit van de wederpartij niet is aangepast aan de aard en de omvang van het risico, met name omdat het verschil tussen de betrokken waarborgpercentages van respectievelijk 5 % en 100 % zeer groot is, wat niet overeenkomt met het verschil tussen het risico van insolventie tussen erkende en niet-erkende aannemers.
In 2020 gelastte de Europese Commissie Facebook om inzage te verlenen in interne documenten, op straffe van een dwangsom van 8 miljoen euro per dag. Het besluit was genomen in het kader van een mededingingsonderzoek met betrekking tot Marketplace. Volgens Facebook vroeg de Commissie ook inzage in irrelevante, persoonlijke gegevens van medewerkers. In kortgedingprocedures verkreeg Facebook de toezegging dat bepaalde gegevens slechts na een tegensprekelijke procedure zouden worden vrijgegeven. In 2023 bevestigde het Gerecht de rechtmatigheid van het Commissiebesluit. Het Hof moet zich nu uitspreken over de hogere voorziening (en in dat verband neemt de AG conclusie).