Wunner, die in Oostenrijk woont, heeft in dat land een vordering ingesteld tegen de voormalige bestuurders van een Maltees (inmiddels failliet) gokbedrijf. Hij stelt dat de Maltese onderneming actief was zonder een Oostenrijkse vergunning, hetgeen een onrechtmatige daad vormt (waardoor hij aanzienlijke vermogensschade heeft geleden). De vraag is of de Oostenrijkse rechters bevoegd zijn (verordening (EG) nr. 864/2007).
Passagiers hebben tickets voor KLM-vluchten gekocht bij het onlineboekingsportaal Opodo. Dat is een door de Internationale Luchtvaartorganisatie (IATA) gecertificeerd reisbureau dat het recht heeft om vliegtickets uit te geven. De passagiers hebben in totaal 2053,48 EUR aan Opodo betaald. Als gevolg van de annulering van hun vluchten hebben de passagiers een bedrag van 1958,34 EUR terugbetaald gekregen. De bemiddelingsprovisie van Opodo ter waarde van 95,14 EUR werd echter niet terugbetaald. De vraag is of de provisie kan worden teruggevorderd. KLM voert aan zij geen kennis had van het bedrag van de bemiddelingsprovisie die Opodo aan de passagiers in rekening bracht. In een eerdere uitspraak heeft het Hof van Justitie (Harms, C 601/17) gesteld dat de bemiddelingsprovisie deel moet uitmaken van de terugbetaling (op grond van verordening nr. 261/2004), tenzij deze provisie buiten medeweten van de luchtvaartmaatschappij is vastgesteld. De Oostenrijkse rechter vraagt het Hof thans hoe de luchtvaartmaatschappij in de praktijk op de hoogte moet zijn gebracht van het bestaan van de provisie en, in voorkomend geval, van het bedrag ervan, en ten tweede, bij wie de bewijslast in dat verband ligt.
Het recht van toegang tot milieu-informatie is de eerste van de drie pijlers waarop het Verdrag van Aarhus berust, samen met het recht van het publiek op inspraak en op toegang tot de rechter. In overweging 1 van richtlijn 2003/4/EG komt het belang van het recht op informatie tot uitdrukking. In de onderhavige zaak gaat het om de vraag of aan de toegang tot milieu-informatie in de regel de voorwaarde kan worden verbonden dat aanvragers hun naam en fysieke adres verstrekken. Ook wordt de vraag gesteld over welke waarborgen de overheidsinstanties beschikken wanneer zij verzoeken behandelen die zij als lichtzinnig of vexatoir beschouwen. In casu werden namen opgegeven van Amerikaanse filmacteurs of personages uit Charlie and the Chocolate Factory van Roald Dahl, waaronder Willy Wonka.
Een Poolse rechter vraagt om overlevering van een Pools onderdaan in Nederland. Dit aanhoudingsbevel is uitgevaardigd met het oog op strafvervolging wegens het niet nakomen van de verplichting tot het betalen van kinderalimentatie voor zijn minderjarige zoon. Naar Nederlands recht vormt dit geen strafbaar feit. De betrokkene verblijft sinds meer dan vijf jaar rechtmatig en ononderbroken in Nederland. Naar het oordeel van de Nederlandse rechter is hij derhalve een „ingezetene” van Nederland in de zin van het EAB-kaderbesluit. Verder heeft de verwijzende rechter vastgesteld dat de opgeëiste persoon nauwe banden heeft met Nederland, zodat de tenuitvoerlegging in deze lidstaat van de eventuele straf zal bijdragen tot het bevorderen van zijn reclassering. De Nederlandse rechter wil de betrokkene daarom wel overleveren, maar onder terugzendingsgarantie (om zijn eventuele straf in Nederland te ondergaan). De vraag is echter of een terugzendingsgarantie kan worden opgelegd wanneer de overlevering ook volledig kan worden geweigerd (omdat er geen dubbele strafbaarheid is in Polen én Nederland).
Overheidsopdrachten die worden gegund aan rechtspersonen die door de aanbestedende dienst worden gecontroleerd (in house diensten), zijn niet onderworpen aan de voorschriften inzake de plaatsing van overheidsopdrachten. De aanbestedende dienst moet wel toezicht uitoefenen zoals op zijn eigen diensten en de betrokken rechtspersoon moet ook het merendeel van zijn werkzaamheden verrichten ten behoeve van die aanbestedende dienst. De ratio legis van deze regel is er namelijk in gelegen dat de aanbestedende dienst in een dergelijke situatie in werkelijkheid zijn eigen middelen gebruikt en dat de opdrachtnemende entiteit nagenoeg deel uitmaakt van de interne diensten van de aanbesteder. In de onderhavige zaak is laatstgenoemde situatie aan de orde, aangezien de betrokken rechtspersoon (namelijk AVR-Afvalverwerking AF) onder toezicht staat van meerdere Nederlandse gemeenten. Tegen die achtergrond wenst het gerechtshof Den Haag te vernemen of, in het geval dat de gecontroleerde rechtspersoon deel uitmaakt van een groep van vennootschappen, zoals AF, het „percentage van de activiteiten” moet worden berekend aan de hand van alleen de omzet van deze rechtspersoon of op basis van de geconsolideerde omzet van de groep.
In deze zaak gaat het om de publicatie van een nieuwe wetenschappelijke online editie van het dagboek van Anne Frank. Op delen van de versies van het dagboek heeft het Anne Frank Fonds in Nederland nog tot 2037 het auteursrecht. In een groot aantal andere landen, waaronder België (publieke domeinlanden), is het auteursrecht op het werk al in 2016 vervallen. In dit geding is aan de orde of de Stichting c.s. met de publicatie inbreuk maakt op het auteursrecht van het Fonds in Nederland. In dat kader dient ook de vraag te worden beantwoord of geografische toegangsblokkering (geo-blocking) een oplossing kan bieden. Het Fonds is in 1963 opgericht door Otto Frank, de vader van Anne Frank. Het Fonds is rechthebbende geworden van alle aan Otto Frank toekomende auteursrechten op de werken van Anne Frank. De Stichting is in 1957 opgericht. De Stichting heeft als doelstelling onder meer het in stand houden van het pand aan de Prinsengracht 263 te Amsterdam (het Anne Frank Huis), alsmede het uitdragen van de idealen aan de wereld nagelaten in het dagboek van Anne Frank.