Nieuwsbrief griffie HvJ

Nieuwsbrief EU-Hof - Nederlandse griffie

De Nederlandse griffie van het EU-Hof publiceert vrijwel wekelijks een nieuwsbrief met daarin een aankondiging van arresten en conclusies. Onderstaand treft u de meeste recente nieuwsbrief aan.

 

Donderdag 22 oktober 2026

Arrest in zaken C-295/25 Lima (BE) (levensmiddelen)

Kan het gebruik van een biologisch ingrediënt worden verboden bij de productie van verwerkte biologische levensmiddelen? Dat is de schijnbare paradox die door de Raad van State (België) aan het Hof is voorgelegd. Het gaat om biologisch poeder dat is verkregen uit gereinigd, gedroogd en gemalen sediment van de algensoort Lithothamnium calcareum (van nature rijk aan calciumcarbonaat). Maar mag het ook worden toegevoegd aan een biologische plantaardige rijst- of haverdrank?


Arrest in zaken C-33/25 Stichting Bloembollenkeuringsdienst (NL) (bloembollenvirus)

Deze zaak gaat over met een virus besmette bloembollen. De vraag is of een kweker met het opplanten deze bloembollen in de handel heeft gebracht. Volgens de kweker kan het in de handel brengen alleen handelingen omvatten die plaatsvinden na het oogsten van de tulpenbollen en niet al na het moment van opplanten. De Bloemkeuringsdienst (BKD) is van mening dat de kweker door bloembollen op te planten deze bloembollen ter beschikking heeft gehouden en dus op dat moment in de handel heeft gebracht. De BKD controleert bij kwekers die bedrijfsmatig bloembollen verhandelen. Tegen die achtergrond meent de BKD dat het begrip “in de handel brengen” zo moet worden uitgelegd dat hiervan al sprake is vanaf het moment dat de bloembol wordt opgeplant. Een andere uitleg zou volgens BKD bovendien het uitvoeren van haar controlerende taken ernstig bemoeilijken. De kweker voert aan dat hij alleen maar de diversiteit van bloembollensoorten wil beschermen.


Conclusie in zaak C-358/24 P Varo Energy Belgium e.a. (BE) (energieprijzen - solidariteitsbijdrage)

Het Belgisch Grondwettelijk Hof twijfelt aan de geldigheid van een EU-verordening. Die verordening betreft een noodinterventie in verband met de hoge energieprijzen. Zij staat de lidstaten toe om een tijdelijke solidariteitsbijdrage in te voeren om het zogenaamde « surplus aan winsten » binnen de oliesector af te romen, met als doel deze te herverdelen.
Het Grondwettelijk Hof wenst te vernemen of de verordening is vastgesteld op basis van een geldige rechtsgrondslag in het Verdrag. 
Bovendien rijst de vraag of het discriminerend is dat de solidariteitsbijdrage niet van toepassing is op ondernemingen die actief zijn in andere energiesectoren